Huisarts

Uw huisarts

De ruimte die uw huisarts bij het zelfgekozen levenseinde heeft

De ruimte die de huisarts bij het zelfgekozen levenseinde heeft, is vaak veel groter dan hij zelf en zijn patiënt veronderstellen. Een misverstand is dat psychisch lijden zich niet leent voor artseneuthanasie (euthanasie conform de Wet Toetsing Levensbeëindiging op Verzoek en Hulp bij Zelfdoding, in de volksmond: de euthanasiewet). Een ander misverstand is dat er sprake moet zijn van een levensbedreigende ziekte. Onjuist is voorts dat dementerenden niet voor artseneuthanasie in aanmerking komen: zolang zij in een nog niet ver gevorderde fase wilsbekwaam zijn, doen zij dat wel degelijk. En, in uitzonderingsgevallen, doen zij dat eveneens in een vergevorderde fase als daarbij van een in een eerdere fase in goed overleg met de arts afgestemde schriftelijk euthanasieverzoek sprake is.  Minder bekend is verder dat een opeenstapeling van (overwegend medische) ouderdomsklachten volstaat om aan een ‘voltooid leven’- verzoek gevolg te geven. En tenslotte: zijn huisarts en patiënt zich ervan bewust dat de wet niet voorschrijft dat de patiënt aan de naald moet? Als de huisarts of patiënt er problemen mee heeft om een dodelijke injectie toe te dienen respectievelijk toegediend te krijgen, stelt de wet een andere mogelijkheid open: de arts kan aan de patiënt een dodelijk drankje geven dat dan door de patiënt in aanwezigheid van de arts wordt opgedronken.

De Einder wordt regelmatig door artsen benaderd met zowel vragen over euthanasie conform de euthanasiewet (hetgeen wij artseneuthanasie noemen) als met vragen ten behoeve van patiënten die overwegen de beëindiging van hun leven in eigen hand te nemen (hetgeen wij zelfeuthanasie noemen).

Voor vragen over zelfeuthanasie kan contact met De Einder opgenomen worden via begeleiding@deeinder.nl.

Voor vragen met betrekking artseneuthanasie heeft de KNMG ten behoeve van haar leden een aantal lezenswaardige publicaties uitgebracht. Het gaat om de volgende publicaties.

KNMG, De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde, 2011 (PDF)
KNMG/KNMP Richtlijn, Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, 2012 (PDF)
KNMG, Handreiking voor artsen Tijdig spreken over het levenseinde, 2012 (PDF)
KNMG, Handreiking Zorg voor mensen die bewust afzien van eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen, 2014 (PDF)

Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste punten uit de KNMG-publicaties die de arts en zijn patiënt over de euthanasiewet moeten weten.

  1. De patiënt heeft het recht om een euthanasieverzoek te doen, maar de arts heeft niet de plicht dat in te willigen. Artseneuthanasie kan twee vormen aannemen: of het is de arts die het euthanasiemiddel toedient of het is de arts die aan de patiënt het euthanasiemiddel verstrekt om door de patiënt te worden toegediend.
  2. Principiële bezwaren van artsen tegen artseneuthanasie behoren te worden gerespecteerd. Artseneuthanasie wordt namelijk tot dusverre niet als normaal medisch handelen beschouwd en zolang dat niet het geval is, heeft een arts het recht om aan zijn geweten de voorrang te geven boven hetgeen zijn professionele plicht van hem eist. Dat recht om het geweten te volgen, is een maatschappelijk verankerde norm en vandaar dat het tot dusverre niet als wenselijk wordt beschouwd om artseneuthanasie tot het verplichte medisch handelen te rekenen: zodra artseneuthanasie deel uitmaakt van het medisch handelen, rust immers op een arts de professionele plicht om gevolg te geven aan elk euthanasieverzoek dat zich conform de euthanasiewet tot inwilliging leent, ongeacht of de arts er wel of niet principiële bezwaren tegen heeft.
  3. Een arts die principiële bezwaren heeft tegen het euthanasieverzoek van zijn patiënt moet de procedure niet starten. Het in dit verband door de KNMG ingenomen standpunt is dat een arts met principiële bezwaren zijn patiënt in de gelegenheid behoort te stellen in contact te treden met een collega die geen principiële bezwaren tegen artseneuthanasie heeft. Er is daarbij volgens de KNMG geen sprake van een juridische verwijsplicht, maar wel van een morele en professionele verantwoordelijkheid om de patiënt tijdig hulp te verlenen bij het vinden van een arts die de principiële bezwaren van zijn collega niet deelt.
  4. Als een arts op grond van persoonlijke opvattingen niet tot euthanasie kan overgaan, heeft de arts de verantwoordelijkheid de patiënt uit te leggen waarom hij, ondanks het feit dat zijn patiënt wellicht voor euthanasie conform de euthanasiewet in aanmerking komt, daaraan desondanks zijn medewerking onthoudt. Het verdient aanbeveling dat de arts reeds in een vroeg stadium zijn persoonlijke bezwaren tegen artseneuthanasie met zijn patiënt deelt opdat de patiënt tijdig naar een andere arts kan uitwijken.
  5. De arts behoort oog te hebben voor het bredere welzijn van de patiënt.
    – Hij gaat tijdig met zijn patiënt in gesprek over de wensen en verwachtingen bij het naderend overlijden.
    – Hij begeleidt de patiënt bij existentiële vragen die worden opgeroepen door ziekte. Hij toont empathie, biedt palliatieve zorg en troost.
    – De arts dient elk euthanasieverzoek serieus te nemen, ook als iemand zijn leven voltooid vindt of bang is voor de gevolgen van dementie.
  6. Om tot artseneuthanasie te kunnen overgaan, moet de arts het lijden inzichtelijk (helpen) maken en er van overtuigd raken dat het lijden ondraaglijk is en overwegend een medische grondslag heeft. Naar mate andere (niet medische) oorzaken van lijdensdruk op de voorgrond staan, moeten (ook andere) deskundigen hier een rol bij spelen.
  7. Artsen kunnen op basis van het huidige wettelijke kader het begrip artseneuthanasie veel breder invullen dan ze tot op heden denken en toepassen. Kwetsbaarheid, inclusief dimensies van functieverlies, eenzaamheid en verlies van autonomie mogen worden verdisconteerd in de beoordeling van een verzoek om euthanasie. De optelsom van medische en niet medische problemen, die elk op zich niet levensbedreigend of fataal zijn, kan leiden tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden in de zin van de euthanasiewet.
  8. Wanneer de arts tot de conclusie komt dat er geen sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden zoals bedoeld in de euthanasiewet, dan kan de arts niet overgaan tot euthanasie of hulp bij zelfdoding. Lijden zonder enige medische grondslag valt buiten het domein van de geneeskunde en daarmee buiten het deskundigheidsgebied van de arts en buiten de euthanasiewet.
  9. Artsen hebben geen rol of taak bij het beoordelen of een leven voltooid is. Dat betreft een existentiële vraag die niet op het op het terrein van medici ligt en waarover het aan de persoon zelf is om die te beantwoorden.
  10. Artsen wordt geadviseerd om bij een euthanasieverzoek van hun patiënt te overleggen met collega’s en tijdig contact op te nemen met de SCEN-arts voor het verkrijgen van steun, juist als er dilemma’s zijn of als er onzekerheden bestaan m.b.t. de eigen ervaring, houding of standpunt.
  11. Als een patiënt met een indringende stervenswens geen gehoor vindt bij zijn arts om een verzoek om euthanasie in te willigen dan wel indien niet is voldaan aan de in de euthanasiewet gestelde criteria om voor artseneuthanasie in aanmerking te komen, dan kan de patiënt overwegen te stoppen met eten en drinken. Dit is een natuurlijk overlijden. Ingevolge de dienaangaande door de KNMG en V&VN opgestelde ‘Handreiking Zorg voor mensen die bewust afzien van eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen’ moet de arts daarbij de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen, ook al is hij het niet eens met het besluit van de patiënt zelf te stoppen met eten en drinken. De arts moet goed bereikbaar en beschikbaar zijn, de patiënt begeleiden en het lijden verzachten door adequate zorg in te zetten, ook als er complicaties optreden.
  12. De KNMG verdedigt het standpunt dat het tot de professionele plicht van de arts behoort om met de patiënt te praten als deze blijk geeft zichzelf bewust te willen doden met behulp van (combinaties van verzamelde ) medicijnen. De arts kan zonder strafbaar te zijn informatie verstrekken en met de patiënt gesprekken over zelfdoding voeren. De medicijnmethode vergt van de patiënt een grondige voorbereiding. Het is verstandig dat de patiënt hierbij onder andere schriftelijk een wilsverklaring vastlegt en een persoonlijk gemachtigde aanwijst.

Behalve de KNMG-publicaties, zijn er nog andere publicaties waarvan het aanbeveling verdient er als arts kennis van te nemen. Zij zijn te vinden op de website van de Rijksoverheid. Een van die publicaties is de Handreiking Schriftelijk Euthanasieverzoek (PDF).

Voornoemde handreiking bevat nuttige informatie over onder meer euthanasie en dementie en over wat de betekenis is van een schriftelijk euthanasieverzoek in geval van vergevorderde dementie. Zo leert de handreiking dat in geval van een schriftelijk euthanasieverzoek bij een patiënt met vergevorderde dementie, deze onder zeer uitzonderlijke situaties voor euthanasie in aanmerking komt, namelijk wanneer de patiënt naast de dementie ondraaglijk lijdt aan bijkomende lichamelijke klachten zoals ernstige benauwdheid of pijn, angst, agressie of onrust terwijl hij niet meer in staat is om in woord of gebaar te bevestigen dat hij nog steeds achter zijn schriftelijk euthanasieverzoek staat.