Het verhaal van Anna

In de week voordat ze haar laatste project startte, ging ze naar de kapper. Haar grijze haar in een modieuze coupe geknipt.

Anna, bijna tachtig jaar, normaal postuur en diabetes II patiënte. Nee, geen kwestie van overgewicht maar van erfelijke aanleg. Haar vader had deze aandoening ook. Levensbedreigend? Geenszins; een beetje dieet, 1 tablet Actos en 2 Tolbutamide per dag en alles leek onder controle. Behalve die voeten. Hinderlijk, pijnlijk en beperkend zijn beide voeten (neuropathie), vooral de linkervoet vertoont zweren. Ze draagt orthopedisch aangemeten schoenen, het lijken wel legerkistjes, maar ze zijn steeds glimmend zwart gepoetst. Ze heeft er een haat/liefde verhouding mee, zonder deze schoenen kan ze nauwelijks op haar voeten staan.

De bewegingsbeperking, die alleen maar erger zal worden, staat in schrille tegenstelling tot haar onafhankelijke geest.

Haar toekomstige jaren ziet Anna niet met optimisme tegemoet, integendeel. Een voetamputatie hangt als een zwaard van Damocles boven haar hoofd. Haar vaders voorbeeld, drie opeenvolgende amputaties (voet – onderbeen – bovenbeen) in zijn laatste negen jaren, is voor haar een nachtmerriescenario.

Aan afhankelijkheid van anderen had ze ‘een broertje dood’. Hoewel, broers waren er niet, zussen ook niet. Het enige kind was ze, van ouders die veertig jaar oud waren bij haar geboorte. Ook haar beide ouders waren enig kind. Familierelaties ontbraken na het wegvallen van haar ouders. Wel had Anna een goede scholing gehad: opleiding tot coupeuse en Schoevers. Ze beschikte over een uitstekende algemene ontwikkeling. Getrouwd was ze op haar dertigste en blijven werken als secretaresse bij de toenmalige PTT. Het paar woonde op diverse locaties in de Randstad. o.a. in Amsterdam, en bleef kinderloos. “De eenzaamheid die ik zelf ervaren had”, vertrouwde Anna me toe in haar laatste heldere dagen, “dat wilde ik een kind niet aandoen.”

Medio tachtiger jaren (Anna was ca. 55 jaar) verhuisde het paar, op initiatief van haar echtgenoot, van de Randstad naar het Friese platteland, tevens geboortestreek van haar ouders. Vlak na deze ingrijpende verhuizing bleek haar dat haar man al jaren een buitenechtelijke verhouding had. Echtscheiding was een logische stap. “Wanneer ik dit eerder geweten had, was ik niet mee verhuisd,” vertelde ze me toen onze kennismaking vaste vorm had aangenomen. “Een huwelijk dat sociale geborgenheid had geboden, maar met weinig diepgang”, zoals ze achteraf zelf constateerde.

Maar de stap om weer terug te verhuizen naar de Randstad was té groot. Ze bleef, daar waar ze eigenlijk niet wilde zijn, en bouwde aan een nieuw sociaal leven.

Het plaatselijke dialect sprak ze moeiteloos, maar geestelijk verwant aan de plaatselijke bevolking voelde ze zich niet. Wel wordt na de echtscheiding de band met vriendin Siep groter. Zeker wanneer Sieps echtgenoot komt te overlijden en Siep alleen achterblijft.

De dames reizen veel samen en Anna omschrijft de band met haar vriendin als ‘zielsverwantschap’.

Wanneer Siep overlijdt (vier jaar voordat ik Anna leer kennen) ziet zij, ondanks de inmiddels weer opgebouwde kennissenkring, geen mogelijkheden meer om haar leven als zinvol te ervaren. Ook Anna’s fysieke gezondheid gaat geleidelijk achteruit.

Diverse kwalen en kwaaltjes nopen haar tot het inroepen van dokters- en/of specialistische hulp. Hieronder vallen ook twee ziekenhuisopnames (o.a. ten gevolge van een gebroken elleboog), die haar weer confronteren met de realiteit van het afhankelijk zijn. Sinds haar 70ste jaar woont ze, nog steeds zelfstandig, in een zorgappartement van een kleinschalig complex, in het centrum van het middelgrote dorp O. Hoewel ze met behulp van de buurttaxi nog daar kan komen waar ze wezen wil, ziet Anna de grenzen van haar autonomie akelig dichtbij komen.

Bij mijn eerste bezoek in O. (zeven maanden voor ze start met haar project) blijkt Anna in het bezit van het WOZZ (Wetenschappelijk Onderzoek Zorgvuldige Zelfdoding) boekje. Ze heeft in de twee hieraan voorafgaande jaren al contacten gehad met het Humanistisch Verbond en de NVVE, vertelt ze me. Van beide organisaties zijn ook dienstverleners met haar in gesprek geweest, maar toch vond ze niet díe informatie die ze zocht.

Enigszins sceptisch heeft ze uitgezien naar het gesprek met een counselor van Stichting de Einder. Van dit gesprek herinner ik me vooral de neutrale, feitelijke manier waarop Anna spreekt en vertelt. Zonder merkbare emotie, maar toch zeker niet kil. Ook vermeldt ze dat haar euthanasiewens bij haar huisarts bekend is.

Bij het doornemen van een aantal mogelijkheden volg ik het WOZZ boekje, en bij de optie ‘stoppen met eten en drinken’ bemerk ik enige agitatie. Om een of andere reden was haar oog daar nog niet op gevallen. Anna lijkt opgelucht, zal deze informatie gaan bestuderen en me bellen wanneer ze aan een volgende afspraak toe is.

Een oriënterende periode van zo’n half jaar volgt, met diverse telefoongesprekken en af en toe een persoonlijke ontmoeting. Deze gesprekken geven haar rust in haar hoofd, zegt Anna.

Dan volgt een gesprek met haar huisarts. Hier heeft ze als een berg tegenop gezien en het misschien ook wel voor zich uitgeschoven. Ze is namelijk erg bang voor een kritisch, afwijzend antwoord. Maar tegelijkertijd beseft ze dat ze zonder zijn steun en begeleiding haar voornemen om te gaan stoppen met eten en drinken, niet tot uitvoering zal kunnen gaan brengen. Op haar verzoek ben ik als toehoorder en als morele steun bij dat gesprek aanwezig. Het blijkt een –voor haar– beslissend gesprek. De huisarts voelt het belang van dit gesprek zeker aan, maar de methodiek van stoppen met eten en drinken en de naam van psychiater Chabot zijn hem onbekend. Hij belooft zich erin te gaan verdiepen en zegt in principe zijn steun toe.

Terwijl menigeen in een soortgelijke situatie nu zal zeggen: “Nu ik de oplossing binnen handbereik heb, kan ik met mijn leven doorgaan tot dat het juiste moment daar is”, pakt Anna door. Ze meldt me dat ze de datum geprikt heeft. Over vier weken, het laatste weekend van augustus (2009) zal ze haar proces starten en ophouden met voedselopname en drinken. Dan kan ze vanaf heden rekening houden met boodschappen, en in het geplande weekend haar restjes opmaken. Hoe pragmatisch!

De voorbereidingsweken worden besteed aan het opruimen, opzeggen van abonnementen, afbouwen van de gebruikelijke medicatie en kopen van de mondverzorgingsproducten. Met de taxi laat Anna zich naar de stad rijden om bij apotheek en drogist, anoniem, haar boodschappen te doen. Ook brengt ze    –met opgespaarde taxipunten– nog een bezoek aan goede kennissen in Amsterdam, om hen te informeren en om afscheid te nemen.

 

Het geplande weekend breekt aan. Op zaterdag, restjesdag, bezoek ik haar. Ze is, als altijd, zorgvuldig gekleed: pantalon, coltrui en colbertje. Ook haar haar zit stijlvol in model, kapperswerk merk ik op. Vol goede moed toont ze haar mondspray, suikervrije kauwgum en andere aankopen. Ze is onverminderd standvastig in haar voornemen en tegelijkertijd onzeker. Hoe zal het gaan? Hoe lang gaat dit duren? Dit zijn evengoed mijn vragen.

Bijna vijf weken later, op vrijdagnamiddag twee oktober overlijdt Anna.

In de eerste drie weken van haar project blijkt Anna nog behoorlijk zelfredzaam. Haar huishoudelijke hulp, die ook al enige tijd haar was verzorgt, komt twee keer per week. De thuiszorg komt enkele keren per week en helpt haar met douchen en persoonlijke verzorging. De wijkverpleegkundige –Anna kent haar nog van vorige gelegenheden– komt geregeld of na telefonisch verzoek.

De communicatie tussen wijkverpleging en huisarts is goed te noemen. (Thuiszorg en wijkverpleging zijn tevoren ingelicht over Anna’s initiatief.) De huisarts komt af en toe een praatje maken. Als counselor is mijn informerende taak ten einde, maar mijn morele steun blijft welkom; dus ga ik twee keer per week een uurtje, of wat langer, bij Anna op visite.

Alle aanloop en geregel om haar heen blijkt ze zelfs prettig te vinden. Het geeft haar afleiding. Ze geeft te kennen dat ze zich zo respectvol bejegend voelt door alle mensen die om haar heen zorgen. Zelf zit ze op de bank, stevig gesteund in een hoek, of strompelt van stoel naar tafel naar aanrecht en terug. Haar mond houdt ze vochtig door te gorgelen en het water weer uit te spugen.

Voor de nacht (ze is de enige in huis) neemt Anna haar gebruikelijke Seresta, met water.(Zeer waarschijnlijk –blijkt naderhand– is haar vochtgebruik meer dan de minimumslok om een tabletje door te slikken. Zie ook ‘Anna’ in Perspectief)
Aan het begin van de vierde week slaat de situatie om, de stemming ook. Ze kan niets meer en alles doet vreselijk pijn.

“Iedereen is lief, daar niet van, maar ik weet het niet meer”, kan ze nog net verstaanbaar uitbrengen. “Hoe lang moet dit nog duren?”

Anna vecht tegen haar tranen. Ze kan zich nog steeds niet laten gaan; ze wil, nog steeds, zo flink zijn.

Ik zie een mens die uitzichtloos en onomkeerbaar lijdt, los van welke ziekte dan ook die dit lijden veroorzaakt. Tv kijken wil en kan ze niet meer, ze ziet alleen maar stippen en strepen. De klok mag niet meer opgewonden worden, elk geluidje dringt haar door merg en been. Hoewel het ziekenbed in de woonkamer bij het raam staat, ligt ze niet de hele dag op bed. Hoe ze dat voor elkaar krijgt snap ik niet. Haar wilskracht is blijkbaar nog steeds beduidend groter dan haar feitelijke fysieke vermogen.

Vanaf nu accepteert Anna de voorgeschreven slaappillen (Nitrazepam ) en zwicht voor de aangeboden Fentanylpleisters (morfine). Met een onvoorzien resultaat. Ze raakt in een soort dronkenschaproes en slaat wartaal uit (de normaal voorgeschreven dosering bleek wat aan de hoge kant voor een patiënte die al weken op een 0-calorieën dieet stond). Zo vraagt ze bijvoorbeeld waar de injectie blijft die de huisarts haar zou hebben toegezegd. Het is duidelijk dat de huisarts zich hier erg ongemakkelijk bij voelt. Hij kan niet anders dan herhalen hetgeen hij van meet af aan gezegd heeft. “Geen euthanasie”. Wel belooft hij in overleg te gaan met het palliatieve team. Ook geeft hij indicatie voor nachtwake.

Vertrouwelingen, naasten, die er in geval van Anna dus niet zijn, zouden in een situatie als hier omschreven een geruststellende en beschermende rol kunnen en moeten spelen. Mijn aanwezigheid blijkt in elk geval niet overbodig. Het voorlezen van kleine verhalen en gedichten (Midas Dekkers, Toon Tellegen) heeft een kalmerende invloed op haar. Na enkele dagen morfinepleisters en beetjes drinken is Anna gestabiliseerd. Hoewel fysiek zeer fragiel, is ze mentaal weer aanspreekbaar. Ze gaat akkoord met de toegezegde sedatie die na het weekend ingesteld zal worden.

Een infuuspompje dient, via een onderhuids aangebracht naaldje, druppelsgewijs de medicatie toe. Deze medicatie –Nozinam en Midozalam– wordt elke vier uur, de klok rond, bijgespoten in het met oplosmiddel gevulde pompje. Het opstarten van deze procedure liep overigens weer een dag vertraging op – de ‘wet van Murphy’ is geen onbekende ten huize van Anna – omdat niet alle benodigde middelen in de dorpsapotheek voorhanden waren. Na 4 dagen sedatie, van onrustige slaap tot coma, overlijdt Anna. Zoals een lange trein schoksgewijs tot stoppen komt, steeds een deurtje verder, zo gaan ook haar laatste ademteugjes.

Vrijdagmiddag tussen 16.55 en 17.00 uur is het duidelijk dat er geen ademhaling meer is. Anna’s leven is voltooid.

Marleen van der Gugten (consulent van De Einder)