De laatste weken van Leen S. (of Murphy’s Law)

Leen S. is 89 jaar wanneer zijn tweede echtgenote overlijdt. Hij blijft wonen in het zorgappartement waar ze samen al geruime tijd woonden. Hij kan zichzelf nog aardig redden, mede vanwege de ondersteuning van zijn doortastende dochter Bea, inmiddels zelf al 55 jaar, die woont in een aangrenzend dorp van de middelgrote plattelandsgemeente waar zij directeur is van een basisschool.

Maar het gaat niet echt goed met Leen, al klaagt hij weinig. De huisarts schrijft hem antidepressiva voor, die hij na lang aandringen van de arts een paar maanden gebruikt, echter zonder de beoogde verbetering van zijn gemoedstoestand. Hij wordt er zelfs echt beroerd van, zijn conditie verslechterd zienderogen. Later zal Bea me vertellen:”Vader was niet depressief maar gewoon in de rouw, hij had géén levensperspectief meer.”

Gestopt met de antidepressiva vraagt Leen om euthanasie bij zijn huisarts, die hier niet van wil weten. Bij de jaarlijkse controle van zijn hart (Bea rijdt en vergezelt hem) vraagt hij de hartspecialist om euthanasie. Deze cardioloog negeert Leen’s vraag maar sluit het consult af met de opmerking: “Nou, dan hoeft u hier dus geen nieuwe afspraak meer te maken.” !!!

Leen is inmiddels 91 geworden en het laatste jaar 12 kilo afgevallen. De internist, waar de huisarts hem naar heeft verwezen (ook hier heeft hij, zonder resultaat overigens, zijn euthanasieverzoek ter tafel gebracht), heeft een geblokkeerde galgang geconstateerd en verwacht deze endoscopisch (medisch-technisch een betrekkelijk kleine ingreep) vrij te kunnen maken in een 24-uurs opname.

Intussen heeft Leen met behulp van zijn dochter wilsverklaringen in orde gemaakt. Een euthanasieverklaring en een niet-reanimeerverklaring. Zowel bij de internist alsook bij de huisarts zijn kopietjes achtergelaten. De oproep van het ziekenhuis voor de ingreep zal op korte termijn bij hemzelf in de brievenbus vallen.

Wat er in haar vaders hoofd omgaat weet Bea pas drie dagen voor de ingreep gaat plaats vinden. Leen heeft namelijk besloten om per direct te stoppen met eten en drinken om zo de opname te vermijden. Met een lichte paniek in haar stem belt Bea mij ‘s avonds met deze mededeling en de vraag hoe nu verder.

Zij had enige weken hiervoor de website van Stichting de Einder bezocht en naam en telefoonnummer van een counselor genoteerd en dit aan haar vader gegeven. Na interne afweging had ze besloten de actie aan haar vader over te laten en niet zelf een afspraak voor hem te regelen. Maar nu wordt het deze integere, intelligente vrouw ook te gortig.

Ik kan haar enigszins op haar gemak stellen door het proces van stoppen met eten en drinken in kort bestek te schetsen. Ook raad ik haar aan spoedig het boek ‘Uitweg’, dan reeds enkele weken vrij in de boekhandel te koop, aan te schaffen zodat ze goede informatie heeft en haar vaders proces kan verlichten en ondersteunen.

Echter, naar later blijkt, heeft Leen zijn onverhoedse, onvoorbereide actie maar 24 uur volgehouden en toch, meer of minder noodgedwongen, gekozen voor het ondergaan van de ingreep.

Tijdens de operatie blijkt de blokkerende galsteen te groot, endoscopisch gaat de verwijdering niet lukken en de chirurg legt een shunt aan voor de afvoer van galvloeistof naar de 12.vingerige darm. Een volgende, echte buikoperatie zal nodig zijn om deze hardnekkige verstekeling te verwijderen. Bea hoort – met toenemende verbijstering – dit verhaal uit de mond van de zaalarts, terwijl Leen nauwelijks ontwaakt is uit zijn narcose. Tevens vraagt ze waar haar vaders papieren liggen. Deze blijken pas drie dagen na dato op te duiken, noch de chirurg, noch de zaalarts waren ervan op de hoogte.

De mogelijkheid dat deze ingreep misschien niet zou lukken en wat het alternatief zou zijn was met Bea en haar vader vooraf niet besproken. Wél werd hun meegedeeld dat de hernieuwde operatie tussen 4 en 8 weken later zou kunnen plaats vinden. Dat er een volgende operatie moest plaatsvinden stond buiten elke diskussie. Een dag later is Leen weer terug in zijn eigen appartement.

Enkele dagen na de ingreep komt een verpleegkundige -zoals elke ochtend –kijken óf en zo ja welke hulp er nodig is. Een sleutel van meneer’s voordeur is er altijd beschikbaar voor de verpleging. Bij de voordeur aangekomen valt haar iets vreemds op. Een electriciteitssnoer hangt over de deur tot aan de deurklink. Wanneer ze de deur wil openduwen gaat deze zwaar.

Aan de binnenkant van de deur hangt het levenloze lichaam van Leen S., verlengssnoer om de hals gebonden, keukentrapje ondersteboven een meter ervandaan.

Wanneer de terstond gewaarschuwde Bea arriveert, vindt ze daar – behalve de lijkschouwer en twee politieagenten – ook een opengescheurde brief. De afzender is het ziekenhuis, interne afdeling.: een oproep voor een hernieuwde ingreep over drie dagen, vijf dagen na datering brief.

De gezagsdragers constateren dat meneer S. snel overleden is. De schouwarts voegt er aan toe dat hij waarschijnlijk weinig tot niet geleden heeft. Leen’s lijden van de laatste jaren, weken en dagen wordt hier ontegenzeglijk níet mee bedoeld.

De realistische dochter kan met het overlijden van haar vader : “Hij lag er rustig en relaxed bij toen hij een halve dag later opgebaard lag”, vrede hebben. Met de totale gang van zaken voorlopig zeker nog niet.

Marleen van der Gugten (consulent van De Einder)