De jonge hulpvrager

Onze richtlijnen voor de begeleiding van een jonge hulpvrager

Begeleiding van jonge hulpvragers die slechts de dood als oplossing voor hun lijden zien, vergt een andere aanpak dan de begeleiding van ouderen die het grootste deel van hun leven al achter de rug hebben.

Ten geleide:

Jong is een begrip dat in verband met de kalenderleeftijd wordt gebracht maar jong is ook een dubbelzinnig begrip als je uitgaat van de ontwikkeling van het brein. Rond het 25ste jaar is het adolescentenbrein uit ontwikkeld tot een “volwassen” brein. Tegelijkertijd is jong in onze beleving ook verbonden met de emotionele leeftijd van iemand.

Dat wat iemand meemaakt in zijn of haar leven en de wijze waarop dat geïntegreerd is in de persoonlijkheid bepaalt tot op zekere hoogte of we iemand als jong of als volwassen/uitgegroeid ervaren. Zo kan iemand van 21 de indruk maken van een emotioneel volgroeid persoon, ”oud voor zijn leeftijd” zeggen we dan en iemand van 30 kunnen we “jong voor zijn leeftijd” vinden, dat hangt samen met de emotionele rijpheid die wij ervaren in het contact.

Globaal zou je kunnen zeggen dat tussen de 18 en de 30 jaar jong is en dat hangt behalve met de kalenderleeftijd ook samen met de levenservaringen die iemand heeft opgedaan en de wijze waarop deze ervaringen de persoonlijkheid beïnvloed hebben. Dit alles laat onverlet dat ook een “jonge hulvrager” recht heeft op respect voor haar of zijn autonomie ook al zou die autonomie tot een beslissing leiden die voor de consulent moeilijk te verdragen is.

Richtlijnen:

  1. In zijn algemeenheid geldt dat – meer nog dan de doorsnee hulpvrager – jonge hulpvragers met grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid tegemoet worden getreden.
  2. Eerste aandachtspunt dient te zijn dat de consulent voor zichzelf gemotiveerd vaststelt in hoeverre hij iemand als jong beleeft en dat dit wordt getoetst aan de beleving van de hulpvrager en mogelijk ook zijn/haar omgeving. Jong verbijzonderen we naar kunnen overzien waar je als persoon mee bezig bent en wat je weloverwogen kunt afwegen.
  3. Verder is wenselijk dat gefocust wordt op wat een hulpvrager allemaal ondernomen heeft om verandering in de situatie te brengen.
  4. Van zo mogelijk nog groter belang is dat samen met de hulpvrager wordt nagegaan of er alternatieven zijn die uitstel van de dood tot gevolg kunnen hebben.
  5. In dat kader valt te onderzoeken of aan het doodsverlangen een achterliggende problematiek ten grondslag ligt die voor behandeling vatbaar is of waarvoor anderszins een oplossing kan worden aangedragen. Ook wordt aangeraden om er op te letten of misschien de dood een boodschap aan de achterblijvenden inhoudt. Een boodschap die mogelijk besproken kan worden.
  6. Indien van toepassing verdient het aanbeveling een gesprek op gang te brengen over het mogelijk obsessieve karakter van de doodsgedachte.
  7. Na het eerste gesprek moet steeds een bezinningstijd voor een tweede gesprek worden ingelast. Een derde follow up gesprek na enige tijd is zeer wenselijk met name ook om na te gaan of de eerdere gesprekken en informatie mogelijk meer rust hebben gegeven in de besluitvorming.
  8. Contact met naasten is in principe een voorwaarde voor het verstrekken van nadere informatie die de hulpvrager in zijn doodswens kan ondersteunen tenzij de hulpvrager zwaarwegende redenen heeft om het contact niet te willen. Verder is ook contact met eerdere of nog bestaande hulpverleners wenselijk, waarbij de wensen dienaangaande van de hulpvrager bepalend zijn.
  9. Het verdient aanbeveling om steeds met een collega-consulent standaard overleg te plegen en om, als de problematiek van de hulpvrager tot vragen aanleiding geeft waar twee consulenten niet uitkomen, die problematiek in de intervisiegroep te bespreken. Overwogen kan ook worden om met de hulpvrager en twee consulenten een driegesprek te voeren.
  10. Tenslotte moet er op worden toegezien dat alle informatie ontrafeld is die toelaat ten behoeve van het dossier een samenvattend beeld te scheppen met motivatie waarom wel of niet informatie is verstrekt die de hulpvrager op het spoor zet van middelen voor zelfeuthanasie.