Terugblikken met Adri Brolsma-Polling, mede-oprichter van De Einder

Zij was de eerste bestuursvoorzitter die in 1995 De Einder heeft opgericht samen met nog enkele andere even gedreven geestverwanten uit het Humanistisch verbond, t.w. Token Bartman, Marjolijk van Dierendonck en Jan Hilarius. Nu tweeëntwintig jaar later en de leeftijd van 90 jaar naderend, kost het Adri Brolsma-Polling geen moeite in het verleden te duiken. In haar van boeken uitpuilende flat en met een rollator binnen handbereik waarmee zij niet in staat is om meer dan een paar stappen te zetten, formuleert zij ad rem en desalniettemin haar woorden zorgvuldig kiezend om zo to the point mogelijk te zijn.

Adri Brolsma-Polling

Adri Brolsma-Polling

Er hadden in 1993 kort na elkaar in haar woonomgeving een zelfmoord en een zelfmoordpoging plaatsgevonden. In het eerste geval betrof het een jongeman die van de 8ste verdieping van een gebouw in de Zaanstreek was gesprongen – met dodelijke afloop. In het tweede geval ging het om een jonge vrouw die zich in Castricum voor een trein had gegooid – de rest van haar leven een psychisch wrak en met twee geamputeerde benen in een rolstoel doorbrengend.

Een goede vriendin van Adri (nog steeds – destijds een suïcidant in spe is zij nu een begaafde en tevreden kunstenares in ruste) die ooit hevig naar de dood verlangde, kaartte bij haar aan dat er met anderen over alles behalve een doodsverlangen kon worden gesproken tenzij om haastig en bijna bestraffend te horen te krijgen dat een dergelijk verlangen nooit serieus te nemen valt.

Adri en haar geestverwanten vatten de koe bij de horens en sloegen aan het denken over hoe te bewerkstelligen dat mensen wier enig alternatief de dood is, dit voornemen op een zo geweldloos mogelijke wijze en zo min mogelijk traumatiserend voor anderen ten uitvoer kunnen brengen. Vanaf 1994 vonden brainstormsessies met een groep van gelijkgestemden plaats. De eerste gedachte ging uit naar een hotel waar mensen hun verhaal konden doen.

Een journalist pikte dit op en spoorslags kwamen er vanuit Japan, Zuid-Afrika, eigenlijk vanuit de hele wereld, telefoontjes op haar huisadres binnen van belangstellenden die vroegen wanneer er geboekt kon worden, of er wachtlijsten waren, of de grond al was aangekocht, of er van de kant van omwonenden bezwaren te verwachten vielen, hoe het met de lijkstoet zou worden geregeld, “… kortom je kon het zo gek niet verzinnen. In wezen echter gold dat hotel als metafoor voor dienstverlening waarbij je zelf als klant koning bent, waar jouw wensen centraal staan en waar niet zoals bij dokters protocollen en behandelplannen de dienst uitmaken. Indien de hotelganger bij zijn voornemen bleef, moest hij kunnen voorzien worden van advies door professionals over hoe hij zo weinig schadelijk mogelijk voor zichzelf en voor anderen een eind aan zijn leven kon maken”.

De Chabot-zaak lag op dat moment nog ter beoordeling aan de Hoge Raad voor en over de vraag of euthanasie middels een euthanasiewet mocht worden gelegaliseerd, woedde destijds nog een heftige maatschappelijk discussie. Een boek als Uitweg had Chabot toen nog niet geschreven en medio negentiger jaren had ook The Peacefull Pill Handbook van Philip Nitschke en Fiona Stuart nog niet het licht gezien zodat er in die tijd weinig bekend was over hoe de hand slaan aan jezelf zonder op gruwelijke methoden aangewezen te zijn. Adri en de haren kwam uiteindelijk uit op het oprichten van een stichting die het bespreekbaar en uitvoerbaar maken van zelfdoding tot doelstelling had.

Nog voordat het met de oprichting van De Einder in 1995 een feit was, stroomden van alle kanten ongevraagd donaties binnen om die doelstelling (het bespreekbaar en uitvoerbaar maken van zelfdoding) mogelijk te maken. De notaris dacht met de oprichters mee en noemde meteen al iemand die begeleiding kon gebruiken. Ook wierpen zich al vrij snel hulpverleners op die aanboden de hulpvragers van begeleiding te voorzien. Zo werd in korte tijd een bescheiden netwerk gevormd van hulpvragers en hulpverleners die in de media en bij de Tweede Kamer stof deden opwaaien.

Speerpunt destijds van De Einder was om opleidingen tot stand te brengen waarbij hulpverleners werden geschoold in het omgaan met een doodswens. De RIAGG en aanverwante organisaties wilden hiervan niets weten en op dat punt heeft De Einder van destijds niets van de grond gekregen. Dat leidde ertoe dat weliswaar concrete hulpverlening op gang kwam maar dat de hulpverleners zichzelf de professie eigen moesten maken.

Adri bewaakte de bestuurlijke kant van De Einder en dat hield ook in dat zij zich met de sollicitaties van hulpverleners bemoeide: hoe oud waren hun kinderen en liet die leeftijd toe dat de hulpverlener af en toe een nacht op het politiebureau doorbracht? Hoe zat het met hun beweegredenen? Waren zij voldoende uitgebalanceerd om overwicht op de hulpvrager te hebben en vast te stellen of iemand alle consequenties van zijn doodswens overzien heeft? Konden zij hun mannetje staan in discussies rond de ‘pil van Drion’ en beseften zij dat een dergelijke pil geen snoepje is en dat zo’n pil niet te gemakkelijk mag worden verkregen?

Adri bemoeide zich niet met de hulpverlening zelf. Het enige waarop zij zich in dat opzicht concentreerde was het trachten ertoe te leiden dat gesprekken over zelfdoding met behulp van een goed geschoolde consulent plaatsvonden. Zij was wars van kretologie en betreurde in dat opzicht dat er consulenten waren die zich daaraan schuldig maakten. In 2009 heeft zij, na vijftien jaar, afscheid van De Einder genomen.

Op De Einder is in haar tijd kritiek gekomen van de NVVE die toentertijd – uit strategische overwegingen: de euthanasiewet waar de NVVE voor stond zou er nooit komen als de medische setting werd losgelaten – er voor koos om bij een zelfdoding een daaraan ten grondslag liggende medische oorzaak te eisen en de beslissing over een zelfdoding aan het oordeel van een arts te onderwerpen. Bij De Einder zou, aldus de NVVE, ‘de wil van de patiënt wet zijn terwijl als aan de NVVE om hulp wordt gevraagd, de NVVE van mening is het recht te hebben daar ook iets van te vinden’. Adri riposteert: “Bij de NVVE bestond er destijds een ‘afschuifcultuur’. Individuele hulpvragers zonder een doodsvraag in de medische setting, vingen bij de NVVE bot, die trok haar handen ervan af en vertelde deze mensen dat zij maar bij De Einder moesten aankloppen. Om dan vervolgens met de kritiek te komen dat de door De Einder verstrekte hulpverlening zich niet binnen de grenzen van de wet afspeelde”.

Toen Jacob Kohnstamm, destijds voorzitter van de NVVE en thans voorzitter van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie haar in 2001 te kennen gaf met De Einder serieus in gesprek te willen gaan over zoals hij het toen formuleerde ‘de manier van en bovenal de controleerbare kwaliteit van hulpverlening aan mensen met een doodswens’ is Adri daar meteen opgesprongen: zeer zeker konden er wat haar betreft afspraken tussen de NVVE en De Einder worden gemaakt en wel door meteen gezamenlijk optrekkend de scholing van hulpverleners aan te pakken. Daar is het helaas, door bestuurswisselingen bij de NVVE, in haar tijd niet meer van gekomen maar met de nieuwe weg die de NVVE is ingeslagen én de terugkeer van De Einder naar haar wortels uit 1995 zou dit actieplan uit 2001 eindelijk ter hand kunnen worden genomen.

Hoe denkt Adri nu over vraagstukken als voltooid leven, euthanasie bij zwaar dementerenden, hulp bij zelfdoding van psychiatrische patiënten? Maar Adri laat zich niet tot generaliserende uitspraken verleiden. Weer komt een doordacht en dichtgetimmerd antwoord: “Elk persoonlijk geval moet op zijn eigen individuele merites worden beoordeeld”.

Zou zij zelf door een arts geëuthanaseerd willen worden? Haar man werd in 2005 op die manier geholpen en daar is zij die arts dankbaar voor. Voor haarzelf vindt zij dat, zolang zij over voldoende vitaliteit beschikt en er nog enkele mensen om haar heen haar nodig hebben, hun belang moet prevaleren. Maar zodra elke levenselan haar komt te ontvallen, zal ook zij een arts om euthanasie vragen, althans dat denkt zij maar of zij er nog zo over zal denken als het zover is, kan zij niet voorspellen.

En wat ervan te denken om de regie in eigen hand te nemen als die arts haar neen op het rekest geeft? “Ik denk dat ik dan naar De Einder ga, althans dat vermoed ik want in de toekomst kan ik niet kijken”.

De ontwikkelingen rond ‘het kabinetsplan van Schippers’ en ‘de initiatiefwet van Dijkstra’ volgt zij op de voet. Evenals wat er in Amerika met Trump en in Turkije met Erdogan gebeurt: niet altijd brengt de toekomst vooruitgang.

Wat vindt Adri van De Einder zoals die zich anno 2017 manifesteert? Hier voelt Adri behoefte om het op te nemen voor Jan Hilarius die voor De Einder zijn nek uitgestoken heeft en waaraan De Einder veel te danken heeft zonder daarvoor, zo is Adri van mening, de gepaste erkenning te hebben gekregen: “Het is dank zij mensen als Hilarius dat de huidige consulenten veel beter dan in Jan zijn tijd weten wat wel en niet strafbare hulp bij zelfdoding is”. Volgens Adri’s inschatting zal er aan een instituut als De Einder nog lange tijd behoefte bestaan. De Einder van nu moet worden gekoesterd en af en toe zal nodig zijn om er – aan het actuele tijdsbestek aangepast – nieuw leven in te blazen. Ook in deze tijd lijkt De Einder als separate instelling naast NVVE en Coöperatie Laatste Wil noodzakelijk te zijn: zo veel mogelijk je eieren in diverse mandjes spreiden want je weet niet wat de toekomst gaat brengen.

Als er maar door al die organisaties die hetzelfde doel voorstaan – het helpen mogelijk maken van een humane zelfgekozen dood – wordt samengewerkt. Daaraan heeft het in het verleden wel eens ontbroken. Wat in ieder geval een goede zaak van deze tijd is, aldus Adri, is dat er thans over een opleiding tot stervenshulpbegeleider c.q. levenseindeconsulent kan worden gesproken. In haar tijd moest alles nog worden uitgevonden. Thans is het onderwerp bespreekbaar geworden. Nu nog het onderwerp uitvoerbaar maken. Een euthanasiewet die erkent dat er naast medisch lijden ook existentieel lijden bestaat, zou een stap in de goede richting zijn.

 

Het begeleiden van iemand die dood wil is een intiem en ingewikkeld proces

Artikel uit de Volkskrant, 13 juli 2017

In zijn opiniestuk ‘Bescherm ons tegen de levenseindebegeleider‘ (O&D, 7 juli) betoogt Daan van Schalkwijk dat iemand geen vertrouwensrelatie kan aangaan met een begeleider die mensen de dood in helpt. Dat klopt als de begeleider zich zo gedraagt als Van Schalkwijk in zijn stukje beschrijft. Hij maakt echter een karikatuur van het intieme en ingewikkelde proces dat ontstaat als iemand bij je komt met de vraag hem of haar te helpen om dood te gaan.

Catharina Vasterling

Catharina Vasterling

Als consulent in samenwerking met Stichting de Einder ben ik regelmatig deelgenoot van zo’n proces, zowel met mensen die graag voorbereid willen zijn op het moment dat ze zelf willen besluiten over hun dood als ook met mensen van alle leeftijden die op korte termijn dood willen.

Het gesprek gaat dan in eerste instantie over het leven dat deze mensen geleid hebben en wat ze mogelijk nog zouden willen leiden, over de achtergronden van hun doodswens, hun teleurstellingen en verlangens, wat mogelijk is en wat onmogelijk is of soms lijkt. Het is vaak voor het eerst dat zij, zonder dat ze veroordeeld worden of bang hoeven te zijn voor ingrijpen van buitenaf, met iemand die oprecht geïnteresseerd is kunnen communiceren over de achtergronden van hun doodsverlangen. Zijn zij veroordeeld tot een verminkende suïcide waarvan vaak ook nog anderen het slachtoffer worden?
Het zijn vaak verhalen van teleurstelling, lijden, angst, onthechting maar ook van intense verwaarlozing, maatschappelijke onbarmhartigheid, professionele slordigheid en desinteresse van de geestelijke gezondheidszorg. Soms lukt het mensen weer hoop te geven, de moed het nog maar eens te proberen of steun in het verstoorde contact met naasten. Het kan ook dat iemand niet meer de moed heeft verder te gaan, geen teleurstellingen meer kan verdragen, lijdt onder het gevoel van leegte dat niet op te heffen is.

Deze mensen staan in de kou als de maatschappij reageert volgens het betoog van Van Schalkwijk. Zijn zij veroordeeld tot een verminkende suïcide waarvan vaak ook nog anderen het slachtoffer worden? Of staan wij toe dat ze kunnen sterven, liefst met hun naasten om zich heen of anders op een vredige manier waarbij ze tot het laatst een beroep kunnen doen op een consulent die hen niet veroordeelt, maar tracht te begrijpen?

Relationeel betekent ook dat ik als consulent een relatie aanga voor zover de ander mij dat toestaat. Het betekent ook dat ik geraakt wordt door de verhalen van anderen. Dat het welzijn van de ander echter niet gedefinieerd wordt door wat ik onder welzijn versta, maar dat ik in een gelijkwaardige uitwisseling de ander help zijn of haar idee van welzijn te onderzoeken waarbij mijn opvattingen onderdeel uitmaken van het proces.

Ik ben geen voorstander van het wetsvoorstel zoals het nu voorligt. Ik ben wel voorstander van een barmhartige maatschappij die mensen die zich niet kunnen of willen voegen niet uitsluit en daar hoort ook de dood bij als onderdeel van het leven.

Catharina Vasterling is consulent/psychotherapeut.