Laatste woorden van Ge van Zoen

Artikel uit www.filosoof.nl, 1 november 2016

“Ik ben 92 jaar, oud en versleten, maar nog bij mijn volle verstand, en ik wil waardig sterven, als een normaal functionerend mens”, vertelde Ge van Zoen ons vorig jaar. “Ik ga mijn doodswens zelf in gang zetten, voor 100% op eigen initiatief, helemaal in eigen regie.” Vandaag maakte hij een einde aan zijn leven.

Beluister hier zijn laatste woorden.

 

 

Reactie De Einder op ‘brief Schippers’

De euthanasiewet is geënt op het principe dat een euthanasieverzoek niet inwilligbaar is als er geen medische reden aan het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de hulpvrager ten grondslag ligt. De waarde van het rapport van de commissie Schnabel is erin gelegen dat het de ogen opent voor het gegeven dat euthanasieverzoeken in veel meer gevallen dan tot dusverre wordt gedacht, onder de bestaande euthanasiewet kunnen worden gebracht. Zodra er van een opeenstapeling van ouderdomsklachten sprake is die overwegend op fysieke of psychische oorzaken is terug te voeren, mag de arts aan een euthanasieverzoek gevolg geven.

De euthanasieverzoeken die niet voor inwilliging in aanmerking komen omdat zij niet aan het criterium van een medische aandoening voldoen, typeert de commissie Schnabel als ‘theoretisch’ en dusdanig verwaarloosbaar dat die groep het met de autonome route moet doen. Zelfmoord is niet strafbaar en als je als individu op existentiële gronden je leven wilt beëindigen, dan zijn er genoeg humane methoden voorhanden: bewust versterven, heliumgas inademen of dodelijke medicijnen slikken. Een humane dood in eigen regie is dus thans de facto mogelijk. Nadere regelgeving waardoor de autonome route wordt gefaciliteerd, is onwenselijk. Aldus de commissie Schnabel: ‘doe het zelf en val de overheid er niet mee lastig’.

De Einder denkt daar anders over. En in het huidig kabinet heeft zij een medestander gevonden. Op 12 oktober 2016 heeft minister Schippers een brief aan de tweede kamer geschreven waarin zij een voorstel formuleert voor een wet die tegemoet komt aan de wensen van mensen die zijn aangewezen op de autonome route om een humane dood in eigen regie te realiseren.

Met Minister Schippers is De Einder het eens dat die groep van mensen wiens euthanasieverzoek niet door een arts kan worden ingewilligd omdat er geen medisch oordeel maar een existentieel oordeel aan te pas komt, beter dan tot dusverre het geval is geweest, moet worden gefaciliteerd om het leven op een menswaardige wijze af te sluiten.

De praktijk van De Einder laat, anders dan de commissie Schnabel veronderstelt, een schrijnend beeld zien van hoe ‘uitgeleefde’ mensen met de schaarse energie die hen ten dienst staat, moeten woekeren teneinde van de autonome route gebruik te kunnen maken. Vaak stellen zij daarbij zichzelf en/of hun dierbaren aan strafvervolging bloot. Zichzelf vanwege het feit dat de middelen die zij gebruiken in veel gevallen verboden zijn. Hun dierbaren vanwege het gegeven dat een humane implementatie van de autonome route met regelmaat de (strafbare) hulp van hun naaste omgeving vergt.

Een ander belangrijk punt waar in het rapport Schnabel de ogen voor gesloten is gebleven, houdt verband met de vrees waarmee eenieder die de autonome route bewandelt, te kampen heeft: ‘wat als het niet lukt? Wat als ik er onherstelbaar lichamelijk of geestelijk letsel aan overhoud? Wat als mijn dierbaren in narigheid komen doordat zij van strafbare hulp bij zelfdoding worden beschuldigd?’

Mensen die niet meer de kracht kunnen opbrengen om verder te leven, horen in de laatste fase van hun leven niet meer dat soort kwellingen te verduren: zij hebben recht op een vredig heengaan, liefst omringd door dierbaren waarvan zij in harmonie afscheid hebben kunnen nemen. Hiervoor een wettelijke basis scheppen, is waar De Einder naar streeft.

Een veilig, betrouwbaar en niet al te moeizaam hanteerbaar euthanaticum dat hen in staat stelt in alle rust uit het leven te glijden zodra de gedachte en het gevoel zich opdringen ‘uitgeleefd’ te zijn zonder daarmee dierbaren in de problemen te brengen of derden met gruwelijke taferelen te confronteren: daar is het in het merendeel der gevallen de hulpvragers die bij De Einder aankloppen, om te doen.

Een dergelijk euthanaticum bestaat. Het is het barbituraat pentobarbital dat door artsen in het kader van de inwilliging van een euthanasieverzoek wordt gebruikt. Het middel valt onder de opiumwet. Die wet wordt door internationale verdragen geregeld en gebruik van het middel op particulier initiatief is illegaal. Naast pentobarbital zijn er nog andere farmacologische middelen die zich voor een humane dood in eigen regie lenen. Het gaat dan met name om medicijnen zoals bijvoorbeeld het malariamiddel chloroquine of de pijnstiller oxycodon. Ook van die middelen is de verkrijgbaarheid op grond van de geneesmiddelenwet aan banden gelegd. Zij zijn, zoals Moek Heringa leert, voor ouderen met trillende handen die vaak geen kracht meer kunnen zetten, moeilijker te hanteren omdat zij het verbrijzelen van een grote hoeveelheid – moeizaam te verzamelen – pillen vereisen.

De Einder geeft voorlichting aan mensen die hebben gekozen of moeten kiezen voor de autonome route om hun leven te beëindigen. Behalve over bewust versterven en sterven met helium wordt informatie verstrekt over wat veilige en betrouwbare farmacologische middelen zijn en hoe en waar ze kunnen worden verkregen.

In de gevallen dat de autonome keuze op farmacologische middelen valt, betekent dit voor de hulpvrager veelal dat hij de wet moet overtreden omdat het hem aan een wettelijke titel voor het gebruik van die middelen ontbreekt. Het gevolg is dat hij de zwarte markt op moet en dus een niet juridisch gewaarborgde procedure moet volgen. Met de wetenschap dat hij mogelijkerwijs in handen valt van distributeurs waarvan bij hem de twijfel bestaat of hetgeen zij verstrekken, hem niet van de regen in de drop zal brengen. Indien daarbovenop de hulpvrager bij het verzamelen van de geschikte farmacologische middelen zijn naaste omgeving moet inschakelen, wordt ook nog in een ander opzicht de wet overtreden.

Een legaal gebruik van veilige en betrouwbare euthanatica met het oogmerk om aan de autonome route uitvoering te geven, vereist derhalve (verandering van) wetgeving. De euthanasiewet is tegemoet gekomen aan de roep van mensen om uit het leven te kunnen stappen indien zich een medische reden aandient. Er is thans een wet nodig die ook tegemoet komt aan de roep van mensen die om uitsluitend existentiële redenen – dus zonder dat zich een medische reden aandient – uit het leven willen stappen.

Mensen die levenslust missen moeten niet onder alle omstandigheden koste wat kost van de waarde van het leven overtuigd worden. In veel gevallen kunnen zij dat zelf uitmaken.

Zoals er een recht op leven bestaat voor mensen die aan het leven hechten, zo verdienen mensen die het aan energie om te leven ontbreekt, erkenning van hun recht om te sterven,

De eerste stap hiertoe werd in 1991 gezet door Huib Drion, voormalig lid van de Hoge Raad. Drion heeft onderkend dat mensen in een fase van hun leven kunnen belanden waarin het hen aan levensenergie ontbreekt zonder dat zij daarom ziek zijn. Minister Schippers zet thans een belangrijke vervolgstap. Terecht signaleert zij dat er niet zieke mensen zijn die elke dag lijden onder het feit dat zij de nacht tevoren niet ingeslapen zijn.

Bij voorstanders van de autonome route zijn kritische kanttekeningen bij het door minister Schippers voorgestane zelfbeschikkingsrecht geplaatst: Door de inschakeling van een stervensbegeleider zou hun zelfbeschikkingsrecht onvoldoende uit de verf komen. Kritische kanttekeningen van een tegenovergestelde strekking bij de Christelijke partijen en de SP: de maatschappij moet zich inspannen om mensen die levensmoe zijn, weer levenslust te geven en hun drang naar vergetelheid te keren door goed voor hen te zorgen en hen te laten beseffen dat zij er wel degelijk toe doen.

De “ja-maren” van beide strekkingen worden in de pers en op de sociale media breed uitgemeten. Met een voorzet voor een antwoord op al die ‘ja-maren’ is minister Schippers in haar brief gekomen. Dat antwoord is hoopgevend. De euthanasiewet is gestoeld op de barmhartigheid van de arts die wel of niet aan een euthanasieverzoek meewerkt. De wet die minister Schippers voor ogen staat, vertrekt van de autonomie van het individu. Mensen die lijden aan het leven, zijn gebaat bij een signaal dat zij er toe doen en dat hun kwaliteit van leven de maatschappij niet onverschillig laat. Laten merken dat zij ertoe doen en dat hun kwaliteit van leven de maatschappij niet onverschillig laat, kan door hen betere zorg en op hen toegespitste individuele aandacht, waardering en begrip te verstrekken. Onder omstandigheden evenwel kan het ook betekenen dat de uitgeleefde mens gefaciliteerd moet worden om te stoppen met leven. Een faciliteren dat erin bestaat te voorkomen dat hij tot illegale – soms schadelijke – middelen zijn toevlucht moet nemen en/of op strafbare hulp van derden is aangewezen. Of erger: dat hij mensonwaardige stappen moet zetten zoals de mevrouw die zich, zoals we onlangs in één van de landelijke bladen hebben kunnen lezen, in de vijver van het verpleegtehuis heeft verdronken.

Alertheid bij het voorstel van minister Schippers blijft geboden. Zij is met een voorzet gekomen. Aan de uitwerking van het plan moet nog worden begonnen. De Einder zal graag meedenken. Hier en nu wil De Einder alvast als aandachtspunt het sleutelwoord ‘geruststelling’ signaleren. Een mens lijdt het meest onder wat hij vreest. Van alle hulpvragers die zich door een consulent van De Einder laten begeleiden, overlijdt slechts een klein percentage ten gevolge van zelfeuthanasie. Ruim 80% wordt gerustgesteld door de informatie die zij van de consulenten ontvangt en kiest er voor te blijven leven – al dan niet in het bezit van de hierboven omschreven euthanatica. Dit wijst uit dat een door minister Schippers voorgestane stervensbegeleider niet alleen bijdraagt aan de kwaliteit van sterven maar tevens – en misschien nog meer – bijdraagt aan de kwaliteit van leven.

De Einder juicht het voorstel van minister Schippers toe omdat zij onderkent dat er niet voor alle lijden een oplossing is. Daarom dient er naast een recht op leven voor wie dat wil, ook aan wie dat wil een recht op sterven te worden gegeven.

En tot het zo ver is vervolgt De Einder de ingeslagen weg: voorlichting geven aan mensen die hebben gekozen of moeten kiezen voor de autonome route om hun leven te beëindigen.

Kabinet: ruimte voor hulp bij zelfdoding bij voltooid leven (‘Brief Schippers’)

Mensen die weloverwogen menen dat hun leven voltooid is, moeten onder strikte en zorgvuldige criteria in staat worden gesteld dit leven op een voor hen waardige wijze af te sluiten. Het kabinet wil in overleg met verschillende zorgpartijen een nieuwe wet uitwerken, waarin dit uitgangspunt wordt vormgegeven. Het gaat dan om een systematiek aanvullend op en naast de huidige euthanasiewet. De ministers Edith Schippers (VWS) en Ard van der Steur (VenJ) schrijven dit vandaag namens het kabinet in een brief aan de Tweede Kamer. Zij reageren hiermee op het rapport ‘Voltooid Leven’ van de commissie-Schnabel.

Edith Schippers, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Edith Schippers, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Eind 2013 kwam vanuit de Tweede Kamer het verzoek een verkenning uit te voeren naar de maatschappelijke dilemma’s rond en juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding voor mensen met een voltooid leven. In februari 2016 heeft een breed samengestelde commissie onder leiding van Paul Schnabel haar eindrapport hierover gepresenteerd. De commissie concludeert daarin dat de huidige euthanasiewet goed functioneert en dat er nog ruimte is binnen de euthanasiewet die niet wordt benut.

Het kabinet is blij met de constatering van de commissie dat de huidige euthanasiewet goed functioneert voor mensen die onder de reikwijdte van deze wet vallen, zodat het kabinet geen aanleiding ziet de euthanasiewet aan te passen. Hoewel die wet geen ruimte biedt voor mensen bij wie het lijden geen medische grondslag kent, vindt de commissie-Schnabel het niet wenselijk de huidige juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding te verruimen.

Daarmee wordt volgens het kabinet echter geen recht gedaan aan de wens en de hulpvraag van mensen die hun leven voltooid achten. Het kabinet is van mening dat zo’n verzoek om hulp van mensen die ondraaglijk en uitzichtloos zonder medische grondslag lijden, een legitiem verzoek kan zijn.

Het kabinet hecht veel waarde aan de beschermwaardigheid van het leven. Voor de oplossing die het kabinet zoekt, zijn dan ook de voorwaarden waaronder mensen van deze vrijheid om het levenseinde zelf vorm te geven gebruik mogen maken, essentieel. Vrijwilligheid, weloverwogenheid, veiligheid en zorgvuldigheid zijn daarbij vertrekpunt. Een stervenshulpverlener moet uitsluiten dat een (medische) behandeling de wens op sterven nog kan wegnemen. Omdat de groeiende wens tot het zelfgekozen levenseinde vooral voorkomt bij mensen op leeftijd wordt een nieuw systeem beperkt tot mensen die op leeftijd zijn.  Noodzakelijk daarbij zijn zorgvuldige begeleiding en toetsing vooraf  door een stervenshulpverlener met een medische achtergrond, die daarbovenop een vervolgopleiding heeft gevolgd. Aanvullende waarborgen gericht op zorgvuldige toetsing door een derde, begeleiding bij de keuze, controle en toezicht maken onderdeel uit van een nieuwe systematiek.

 

Download hier de Kabinetsreactie en visie voltooid leven

Wat het gezondheidsrecht van onze consulenten vergt

U draagt autonomie en zelfbeschikking met betrekking tot uw levenseindekeuze hoog in het vaandel. En uw legitieme verwachting als u zich met het oog op een waardige en humane uitvoering daarvan tot een consulent wendt, is dat u op non-directieve wijze en wars van enigerlei paternalisme wordt tegemoet getreden.

Mooi niet als het aan het gezondheidsrecht ligt. Bij een begin dit jaar door het Openbaar Ministerie afgesloten onderzoek naar een voormalig counselor van De Einder, is de insteek niet artikel 294 Sr geweest (dat hulp bij zelfdoding verbiedt), maar de Wet BIG (Wet op de beroepen in de Individuele Gezondheidszorg).

Met een beroep op die wet is de Officier van Justitie nagegaan of de betrokken counselor strafbaar was omdat hij met zijn handelen schade aan de gezondheid van een cliënt had veroorzaakt dan wel de aanmerkelijke kans op schade op de koop toe genomen had. Het justitieel onderzoek heeft als uitkomst opgeleverd dat er geen strafbaar feit kon worden geconstateerd.

Wat was er gebeurd: de betrokken counselor had een cliënte die tegenover hem een depressie had voorgewend, op enig moment een adres verstrekt waar zij aan euthanatica kon komen. En het justitieel onderzoek dat volgde,  concentreerde zich rond de vraag of hij, alvorens dat adres te verstrekken, wel voldoende had gedaan om zijn cliënte op andere gedachten te brengen en/of haar had verwezen naar reguliere hulpverleners die haar zouden kunnen helpen bij haar (gesimuleerde) ernstige depressie.

Het onderzoek wees uit dat de betrokken counselor inderdaad naar zelfmoordpreventiediensten had verwezen evenals op behandelmogelijkheden in de reguliere zorg had gewezen. En ook dat hij duidelijk had gemaakt dat er alternatieven waren voor zelfdoding en er bij haar op had aangedrongen om daarvan gebruik te maken.

Wat leert dit alles? Dat u zich als hulpvrager die niets van directiviteit of (vermeende) aantasting van uw zelfbeschikkingsrecht wil weten, moet realiseren dat het gezondheidsrecht consulenten verplicht om het voornemen van hun cliënt vroeg of laat een humane dood in eigen regie te bewerkstelligen, in de eerste plaats met vragen en andere oplossingen tegemoet te treden. Consulenten mogen de door u gewenste autonomie en non-directiviteit niet van meet af aan voor de volle 100% voor lief te nemen: om niet strafbaar te zijn, is van belang dat de consulent nagaat of er alternatieven voor zelfdoding zijn en om, voor zover die alternatieven er zijn, u in overweging te geven daarvan gebruik te maken.

Afgezien van datgene waartoe het gezondheidsrecht de consulent verplicht, vergt ook de zorgvuldigheid van het gesprek dat de consulent u om verheldering vraagt van uw overwegingen en eveneens daarbij spelen alternatieven een rol.

Dus ergert u zich niet als onze consulent u niet meteen in het eerste – en wat u betreft: enige – gesprek het adres voor de door u gewenste euthanatica verstrekt en in de plaats daarvan uw geduld en zelfbeheersing beproeft door u doorheen een in uw ogen ‘directief’ en ‘paternalistisch’ traject te leiden.

Samen sterven lijkt mooi, tót het zover is

Artikel uit het Algemeen Dagblad, 2 juli 2016

Samen sterven voor je afhankelijk wordt van de zuster in het verpleeghuis, steeds meer stellen denken eraan, volgens stichting De Einder. Maar de uitvoering van zo’n wens is een bijna ondraaglijke worsteling.

De Einder ziet de laatste twee jaar duidelijk een toename van het aantal oudere paren dat zoekt naar een waardige manier om samen hun leven te beëindigen. Catharina Vasterling, die tijdelijk alle hulpvragen ontvangt, heeft in twee weken tijd al drie stellen voorbij zien komen die informatie willen over wat de stichting zelfeuthanasie noemt: een zelfgekozen, weloverwogen einde. “Ja, dat vind ik zelf best veel.”

 

Miriam de Bontridder en Catharina Vasterling

Miriam de Bontridder en Catharina Vasterling

Henk en Rinie
Soms halen ze het nieuws, stellen die er samen uitstappen zonder hulp van een dokter. Het meest recente voorbeeld vormen Henk en Rinie van den Hoofdakker uit Rhenen, die samen op 27 februari een dodelijk poeder innemen en hand in hand sterven.

Cijfers over dit nieuwe fenomeen ontbreken. Paren die met de gedachte aan een gezamenlijke dood spelen, worden nergens geregistreerd. En het merendeel van de stellen die hierover informatie opvragen bij De Einder, de enige organisatie in Nederland die mensen met een doodswens begeleidt, gaat uiteindelijk niet tot de daad over.

Middelen
“Voor de meesten is het al voldoende om te weten dat ze over middelen kunnen beschikken om zelf het eind van hun leven te bepalen”, zegt Miriam de Bontridder, juridisch adviseur van de stichting.
Artsenfederatie KNMG krijgt er een enkele keer vragen over van zijn leden. “Die willen weten hoe ze ermee moeten omgaan”, weet Eric van Wijlick van de artsenkoepel. “Een belangrijke vraag voor de arts is dan of het lijden en het doodsverzoek van de een, de doodswens van de ander niet beïnvloedt.”

Eensluidend
Het gevaar dat de wensen uiteenlopen, ligt op de loer als twee individuen een eensluidend besluit over hun einde moeten nemen, heeft De Bontridder gemerkt. “Ik heb het twee keer meegemaakt dat de man ziek was en zijn vrouw vroeg om samen met hem uit het leven te stappen. ‘Als je van me houdt, dan ga je met me mee.’ De vrouw voelde zich onder druk gezet. Voor die situaties moet je waken.”

Of de doodswensen ooit helemaal kunnen samenvallen, betwijfelt lector toegepaste ethiek Els van Wijngaarden, die aan de Universiteit voor Humanistiek promotieonderzoek doet naar voltooid leven.

“Het klinkt als een rationeel en tegelijk romantisch besluit, maar om daadwerkelijk de stap te zetten, dat is een emotionele worsteling, zeker als er geen sprake is van een terminale ziekte. Dan gaat het niet om een verkorting van het stervensproces, maar om een verkorting van het leven. Het is geen romantisch avontuur, daar moet je mensen bewust van maken.”

Commotie documentaire Levenseindekliniek gerechtvaardigd?

In de onlangs uitgezonden documentaire over de Levenseindekliniek worden drie mensen gevolgd die bij hun huisarts geen gehoor vonden met betrekking tot hun verzoek om geëuthanaseerd te worden en die om die reden op de Levenseindekliniek waren aangewezen. Bij alle drie hebben de aan de Levenseindekliniek verbonden artsen geoordeeld dat hun lijden uitzichtloos en ondraaglijk was en dat zij dientengevolge voor euthanasie in aanmerking kwamen. In alle drie de gevallen heeft de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie geoordeeld dat de aan de Levenseindekliniek verbonden artsen zorgvuldig hebben gehandeld.

 

Commotie om documentaire Levenseindekliniek

 

De maatschappelijke ophef over wat snuivend ook wel als de ‘huppakee-documentaire’ werd aangeduid, is groot geweest. Dat houdt in de visie van De Einder verband met de sensatiezucht waaraan de filmmakers hebben toegegeven om ‘schokkende’ beelden de ether in te sturen, waaronder een opname van de dodelijke prik die aan mevrouw Goudriaan werd toegediend en het feit dat zij daarbij het woord ‘verschrikkelijk’ verzuchtte.

Waar de programmamakers niet in zijn geslaagd, is om sprekend naar voren te brengen welk ‘schokkend’ lijden er schuilgaat achter alle verzoeken om euthanasie die de Levenseindekliniek bereiken en waarvan er – daartoe door de euthanasiewet gedwongen – slechts een beperkt aantal kan worden gehonoreerd.

Ter leniging van de nood om dat ‘schokkend lijden’ met behulp van een arts te laten ophouden, is er de Levenseindekliniek.

Met de Levenseindekliniek deelt De Einder de overtuiging dat:

  • een oordeel over het lijden van een ander, in de eerste plaats aan die ander is
  • psychisch en existentieel lijden voor een niet te verwaarlozen aantal mensen een pijnlijke werkelijkheid is.

Om de echte verhalen te laten horen achter de bittere nood om schrijnende pijn tot een eind te laten komen, heeft De Einder een speciaal onderdeel aan haar site toegevoegd genaamd ‘Levenseindeverhalen’. Het is de bedoeling dat daarin verslagen worden opgenomen die duidelijk maken dat er een substantiële minderheid is die het recht op zelfbeschikking claimt en in dat kader in volle luciditeit en geheel uit vrije wil de Levenseindekliniek – dan wel andere instanties die in dat opzicht soelaas kunnen bieden – benadert, en zich daaraan als laatste redmiddel vastklampt.

Bent u met zo’n ‘levenseindeverhaal’ verhaal bekend, schrijf het dan op en stuur het ons toe.

 

U kunt hier de Levenseindeverhalen lezen.

U kunt hier het achtergrondartikel Het verhaal achter huppakee-weg en de dood van Hannie van De Volkskrant lezen.

Voormalig consulent De Einder niet vervolgd voor advies zelfdoding

Arrondissementsparket Rotterdam

Het Openbaar Ministerie heeft besloten een voormalig consulent van de Stichting De Einder, een organisatie die onder andere informatie over levensbeëindiging geeft, niet te vervolgen voor de adviezen die hij gaf aan een 27-jarige vrouw. De vrouw was een medewerkster van het tv-programma Undercover in Nederland. Zij deed zich voor als een vrouw met ernstige depressieve klachten die een einde aan haar leven wilde maken en daarbij hulp zocht. Ze maakte heimelijk opnames van de gesprekken.

Het OM heeft onderzocht of de man met zijn handelen schade aan de gezondheid van de vrouw heeft veroorzaakt of de aanmerkelijke kans op schade op de koop toe heeft genomen. Dat gaat dan om een overtredingvan de Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg). De man zou namelijk onvoldoende hebben gedaan om de vrouw op andere gedachten te brengen, haar te verwijzen naar reguliere hulpverleners die haar zouden kunnen helpen bij haar – voorgewende – ernstige depressie en haar informatie hebben verstrekt over het verkrijgen van zelfdodingsmedicatie. Dat de man te weinig zou hebben gedaan de vrouw op andere gedachten te brengen, was ook het verwijt dat hem door Undercover in Nederland werd gemaakt. Maar de officier van justitie heeft geconstateerd dat het uitgezonden materiaal geen representatieve weergave is van de gesprekken die de man met de vrouw voerde.

Bovendien is uit de beoordeling van al het beeldmateriaal gebleken dat de consulent de vrouw op behandelmogelijkheden in de reguliere zorg heeft gewezen. Ook heeft de man duidelijk gemaakt dat er alternatieven waren voor zelfdoding en heeft hij er bij haar op aangedrongen om daar gebruik van te maken.
De officier van justitie heeft de consulent op de hoogte gesteld van de sepotbeslissing. Ook de productiemaatschappij van Undercover in Nederland is ingelicht.

Reactie De Einder op het rapport van de Adviescommissie Voltooid Leven

Op 4 februari 2016 heeft de Adviescommissie Voltooid Leven de ministers van Volksgezondheid en van Justitie geadviseerd naar aanleiding van hun vraag te bezien of de mogelijkheden konden worden verruimd om mensen met een voltooid leven problematiek terzijde te staan.

De titel van het rapport was veelbelovend: ‘Voltooid leven, over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten’.

Als lezer mag je er van uitgaan dat de titel de lading dekt. Doch na lezing van het bijna 250 pagina’s tellend rapport kom je bedrogen uit. Een op het rapport toepasselijke titel die de lezer niet zou hebben misleid, ware geweest: ‘Voltooid leven, over geen hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten’.

De reactie op het rapport was in politieke gelederen dan ook een van grote teleurstelling en kritiek. En wel dusdanig dat de politiek uitriep dat ‘als de commissie van wijzen het niet kon regelen, de politiek het dan maar zelf moest doen’.

De Einder vindt het verheugend nieuws dat de politiek het naar zich toe gaat trekken. Daarvoor is de ‘waarschijnlijk kleine minderheid van mensen met een voltooid leven problematiek zonder medische grondslag’, zoals de commissie de desbetreffende groep typeert en waarvoor zij geen voorzieningen nodig oordeelt, immers te groot.

De inventarisatiewerkzaamheden van de commissie zijn veelomvattend geweest. En daarvoor verdient de commissie een pluim. In de visie van De Einder is het echter helaas bij inventarisatiewerkzaamheden gebleven. Na inventarisatie had van de commissie mogen worden verwacht dat zij creatief ging nadenken over oplossingen. Aan dat laatste ontbreekt het echter compleet.

Goed nieuws dus dat de politiek het werk van de commissie gaat overnemen. Gelukkig telt het circa 250 pagina’s tellend rapport welgeteld één halve A-vier die daarbij kan inspireren. Vanaf halverwege pagina 217 valt namelijk het volgende te lezen:

Mensen die hun leven ‘voltooid’ achten, maar bij wie het lijden niet of niet in overwegende mate een medische grondslag heeft en daardoor niet voor euthanasie of hulp bij zelfdoding op grond van de wtl in aanmerking komen, kunnen op andere manieren door hun arts of anderen waaronder naasten worden bijgestaan (zie ook 7.7). Die ondersteuning dient wél te blijven binnen de ruimte die op grond van de wet en rechtspraak bestaat om op niet-strafbare wijze hulp bij zelfdoding te verlenen (zie 3.4).

Zo kan een arts, een andere hulpverlener (niet-arts) of een naaste desgevraagd algemene informatie verstrekken over mogelijkheden tot bespoediging van het overlijden dan wel humane zelfdoding en de betreffende persoon wijzen op de (algemene en publieke) informatie die hierover beschikbaar is. Op het moment dat de patiënt al of niet via een naaste middelen heeft verzameld waarmee hij zijn leven wenst te beëindigen, kan en mag de arts (of een andere hulpverlener, niet-arts) advies en informatie geven over de effectiviteit en bijwerkingen van deze middelen. De knmg wijst er in dit kader op dat het tot de professionele plichten behoort om met de patiënt te praten als deze er blijk van geeft zichzelf bewust te willen doden met behulp van (combinaties van) verzamelde medicijnen. Een ieder kan, ter morele ondersteuning, bij de zelfdoding van de patiënt aanwezig zijn. Dat geldt niet als een strafbare vorm van hulp bij zelfdoding.

Wat de commissie adviseert, is precies dat wat De Einder via haar consulenten doet: mensen begeleiden in hun zoektocht naar betrouwbare methoden om een humane dood in eigen regie te realiseren en hen daarbij tot morele steun zijn.

De methodes waarnaar de commissie in hoofdstuk 3.4 en 7.7 mensen verwijst met een voltooid leven problematiek zonder medische grondslag zijn de medicijnroute, stoppen met eten en drinken en de heliummethode. Daarover dient aldus de commissie binnen de grenzen van de wet zoveel mogelijk informatie beschikbaar te komen.

Echter, zoals uit het rapport blijkt, heeft de commissie geen onderzoek verricht naar de praktische problemen waarmee mensen met een voltooid leven problematiek zonder medische grondslag worden geconfronteerd in hun besluitvorming rond de implementatie van een van voornoemde methoden. De Einder vindt dan ook dat de commissie deze groep mensen volledig in de koud laat staan.

De Einder roept er toe op dat een dergelijk onderzoek er alsnog komt. En laat vervolgens de politiek, die in haar reactie heeft aangegeven het ‘zelf te zullen gaan regelen’, nadenken over hoe die praktische problemen kunnen worden ondervangen. Zodat ook deze groep mensen de ondersteuning krijgt die zij verdient.

 

Hier vind u de link naar het persbericht

Hier vind u de link naar het rapport

 

Download hier het persbericht

Download hier het rapport

 

 

 

Euthanasieregels bij dementie verduidelijkt

Mensen met ernstige dementie moeten euthanasie kunnen krijgen, ook als ze dat zelf niet meer kunnen uiten. Er moet dan wel een wilsverklaring liggen uit de tijd dat ze nog helder van geest waren. Dat staat in de onlangs vernieuwde ‘handreiking’ over euthanasie van de ministeries van Volksgezondheid en van Veiligheid en Justitie.

Demente patiënten wekken soms de indruk dat ze niet ondraaglijk lijden aan hun dementie, maar wel aan de bijkomende lichamelijke aandoeningen, zoals ernstige benauwdheid of pijn, staat in de nieuwe handreiking.

“In die gevallen mag een dokter euthanasie toepassen, ook als een patiënt dit niet meer duidelijk kan maken in woord of gebaar. Maar er moet dan wel een schriftelijk euthanasieverzoek zijn, dat de patiënt eerder heeft opgesteld.”

U kunt de handreiking hier downloaden.

Antwoorden van De Einder t.b.v. Hearing Commissie Voltooid Leven

1. Hoe omschrijft De Einder de problematiek rondom “voltooid leven”?

De “problematiek” situeert De Einder in de maatschappelijke opinie zoals neergelegd in internationale verdragen en een aantal grondwetten waarbij het recht op leven dusdanig wortel geschoten heeft dat de vraag naar een recht op sterven is ondergesneeuwd.

Volgens De Einder is leven geen plicht. Aan opposanten die het leven als een geschenk opvatten, werpt De Einder tegen dat een geschenk mag worden teruggegeven. Niemand heeft erom gevraagd ter wereld te komen maar eenmaal geboren, dient diegene die daartoe op basis van een autonome, weloverwogen, authentieke[1], duurzame en consistente beslissing het moment rijp oordeelt, op een menswaardige wijze uit het leven te kunnen stappen.

Dit zelfbeschikkingsrecht waarvoor De Einder pleit, vindt zijn grens in het “weloverwogenheids- en authenticiteits-“criterium: voorop staat de autonomie van het individu maar in die autonomie dient het individu met de gerechtvaardigde belangen van anderen rekening te houden waarbij die anderen het individu op de verantwoordelijkheid voor zijn keuzes mogen wijzen. Zonder limitatief te willen zijn: een ouder die overweegt uit het leven te stappen, moet zich in volle verantwoordelijkheid voor zijn keuze van destijds om ouder te worden, rekenschap geven van de repercussies die de uitvoering van zijn besluit tot levensbeëindiging op zijn kind(eren) heeft.

Wat wordt door De Einder onder “voltooid leven” verstaan?

De Einder heeft kennis genomen van de diverse definities zoals weergegeven in de kennissynthese van ZonMw. Zonder afbreuk aan deze definities te willen doen, opteert De Einder voor een andere omschrijving: een ruime omschrijving vanuit epicuristisch perspectief en een restrictieve omschrijving vanuit de praktijk van alledag. Onder “voltooid leven” wordt – in ruime zin – verstaan “de zonder druk van buitenaf tot stand gekomen weloverwogen visie, het authentieke gevoel en de duurzame belevenis van het individu dat het leven voor hem/haar niet nog iets in petto heeft dat het opbrengen van energie daarvoor rechtvaardigt” en – in restrictieve zin – “een aanhoudend gebrek aan vitaliteit dat resulteert in een aanhoudend verlangen naar de dood die als ‘de eeuwige rust’ wordt gepercipieerd”.

Is “voltooid leven” een juiste term voor de onderhavige problematiek?

“Voltooid leven” en “klaar met leven” acht De Einder – in de ruime visie die zij voorstaat – geschikte termen omdat de nadruk ligt op de afronding van het leven zonder dat aan dat leven negatieve connotaties kleven.

De termen “levensmoe” en “lijden aan het leven” benadrukken de problematische aspecten die aan de voortzetting van het leven kleven en passen beter in het restrictieve kader. Lijden moet volgens De Einder worden voorkomen.  Daarbij weerspreekt De Einder niet dat lijden zin kan hebben. Voor De Einder spreekt het echter voor zich dat het in beginsel niet aan anderen is om aan het individu “lijden aan het leven” op te leggen: het is aan het individu zelf om daar wel of niet voor te kiezen.

 

2. Welke mogelijke oplossingen (maatschappelijk/juridisch) ziet De Einder voor de problematiek rondom “voltooid leven”?

In maatschappelijk opzicht dient er begrip te worden gecreëerd voor het gegeven dat er altijd een kleine populatie van mensen zal bestaan wier verlangen naar eeuwige rust vanaf een gegeven moment prevaleert boven haar “drive” tot leven. Deze categorie van mensen moet zich in haar eigenheid door de maatschappij erkend weten.

In juridisch opzicht dienen er waarborgen te worden geschapen dat deze categorie van mensen – zich gesteund voelend door anderen (de nabije of verre evenmens) – op een menswaardige wijze met humane middelen uit het leven kan stappen. Anno 2015 is in de vorm van meerdere betrouwbare middelen de “pil van Drion” voorhanden. Het moet voor de onderhavige categorie van mensen mogelijk worden gemaakt om zelfstandig en zonder de wet te overtreden in het bezit daarvan te komen.

Hoe kijkt De Einder aan tegen hulp bij zelfdoding als oplossing?

De Einder is er voorstander van dat er naast de mogelijkheid van artseneuthanasie zoals neergelegd in de WTL, ook zelfeuthanasie mogelijk is. Zelfeuthanasie houdt in dat het individu het besluit én de uitvoering in eigen hand heeft en niet aangewezen is op het oordeel van een arts die voor hem/haar beoordeelt of hij/zij ondraaglijk lijdt en op basis van zijn bevindingen daaromtrent wel of niet besluit de wens om het leven te beëindigen, te honoreren.

Niet altijd is mogelijk om aan zelfeuthanasie uitvoering te geven en spelen er lichamelijke beperkingen en/of gebrek aan internetervaring die meebrengen dat de hulp van anderen moet worden ingeroepen. De wet mag dergelijke hulp niet strafbaar stellen, mits uitgevoerd met inachtneming van zorgvuldigheidsnormen die in de maatschappelijke visie door dergelijke hulpverleners dienen te worden in acht genomen.

Recent heeft het gerechtshof Arnhem in zijn op 13 mei 2015 in de Heringa-zaak gewezen arrest een begin gemaakt met het inventariseren c.q. formuleren van dergelijke zorgvuldigheidsnormen. Dit is een goede zaak maar voor het overige acht De Einder bedoeld arrest een gemiste kans. Gemist omdat de verdediging in de persoon van mr. Vis het hof een handreiking heeft verstrekt om op basis van een internationaal verdrag (het EVRM) tot een uitspraak te komen die niet alleen opgaat voor Heringa in de specifieke positie waarin hij anno 2008 verkeerde maar van veel bredere maatschappelijke betekenis had kunnen zijn.

De Einder staat achter het pleidooi van mr. Vis dat zij sterk gesimplificeerd aldus samenvat:

het is een door het EVRM beschermd grondrecht van de mens om zijn leven zelfstandig op waardige wijze te mogen beëindigen en om daarbij op zijn naaste een beroep te mogen doen terwijl daarbovenop voor die naaste geldt dat deze niet mag worden verplicht passief toe te zien;
dit grondrecht van de mens en zijn naaste kan slechts worden beperkt door de limitatief omschreven (hogere) belangen gespecificeerd in artikel 8 lid 2 EVRM;
tot die in artikel 8 lid 2 EVRM gespecificeerde belangen behoort niet de bescherming van het leven vanuit de gedachte dat dit een objectief rechtsgoed is;
nu artikel 294 tweede lid Sr stoelt op de gedachte van het leven als objectief rechtsgoed, kan dit de toets van artikel 8 lid 2 EVRM niet doorstaan.

 

3. Verwacht De Einder positieve en/of negatieve (neven-)effecten als hulp bij zelfdoding onder bepaalde voorwaarden mogelijk wordt gemaakt?

Hulp bij zelfdoding vormt slechts een deeloplossing voor de problematiek van “voltooid leven”. Daarom zal onder a) de vraag naar de neveneffecten van hulp bij zelfdoding en onder b) de vraag naar de neveneffecten van het creëren van een oplossing voor de “voltooid leven”-problematiek worden beantwoord.

a.      Het is de grote verdienste van mensen in het veld als o.m. Boudewijn Chabot en Bert Keizer dat zij een menswaardig sterven in de steun en liefdevolle aanwezigheid van dierbaren situeren: sterven doe je niet alleen. Het geeft waardigheid en menselijkheid aan het levenseinde wanneer de stervende zich door reciprociteit geborgen weet en op hulp van zijn medemens kan rekenen.

b.     In maatschappelijk en juridisch opzicht dient een oplossing voor de “voltooid leven”-problematiek te worden gevonden. Met name t.a.v. de juridische oplossing als voorgestaan sub 2 bepleit De Einder om hier prudent te werk te gaan teneinde Nederland niet in een internationaal isolement terecht te laten komen. Een dergelijk internationaal isolement kan in de visie van De Einder worden tegengegaan door op een diplomatieke manier aan de hand van “wijze” en juridisch goed doordachte argumenten een beroep op het EVRM te doen en hiermee de voortrekkersrol die Nederland op tal van terreinen vervult, (wederom) in de schijnwerpers te zetten: volhouden, wel kijken naar andere landen maar er niet blijven op wachten … en hiermee ook andere mensen in andere landen helpen aan een betere kans op een beter levenseinde dan voorheen.

 

4.     Hoe kan worden voorkomen dat mensen hun leven “voltooid” achten?

Hier past een wedervraag: waarom moet worden voorkomen dat mensen hun leven “voltooid” achten of “klaar zijn met leven” als dat niet vanuit een belevenis van lijden is ingegeven? Als het recht op leven een objectief rechtsgoed is, dan is in de visie van De Einder het recht op sterven dat evenzeer. In de woorden van Minister Schippers: “Ook al is de kwaliteit van zorg top, ook al doet de omgeving er alles aan om eenzaamheid te bestrijden, ook al krijgen patiënten de beste palliatieve zorg die er is, toch zullen er mensen zijn die zelf willen bepalen hoe te leven en hoe te sterven”.

Hiermee wenst De Einder overigens niet over het hoofd te zien dat eenzaamheid vaak een reden is om het leven als voltooid te beschouwen en dat eenzaamheid onder ouderen moet worden bestreden maar dat laat onverlet dat er niet overal een remedie voor is die voorkomt dat  mensen uit het leven wensen te treden: kortom, is sprake van “lijden aan het leven” of van “levensmoeheid”, dan dient onder ogen te worden gezien dat er voor bepaalde vormen van lijden geen oplossing is. In de visie van De Einder geeft het geen pas dat een populatie die het aan vitaliteit niet ontbreekt haar eigen levensdrang oplegt aan een populatie wier afnemend gebrek aan energie in een verlangen naar eeuwige rust is geresulteerd.

 

5.     Verwacht De Einder dat verzoeken om levensbeëindiging – al dan niet in de vorm van hulp bij zelfdoding – op grond van “voltooid leven” in de toekomst zullen toenemen?

De statistieken die Martijn Hagens als adviseur van De Einder over de afgelopen jaren heeft bijgehouden, laten een groei van verzoeken om levensbeëindiging zien evenals een groei van de naaste omgeving die door de hulpzoeker bij de levensbeëindiging wordt betrokken. De Einder schrijft dit met name toe aan de toenemende mondigheid van de moderne mens.

 

6.     Wat wil De Einder de Adviescommissie Voltooid Leven meegeven ter overweging?

De kennissynthese van ZonMw maakt een onderscheid tussen acute doodswensen en doodswensen op termijn. Daarbij wordt met name op acute doodswensen ingegaan en zijn doodswensen op termijn enigszins in de mist verdwenen.

Ton Vink, woordvoerder van de counselors die door De Einder worden gefaciliteerd, maakt De Einder er regelmatig opmerkzaam op dat het de ervaring van de counselors is dat veel hulpzoekers die zich tot hen wenden met name de wens koesteren om op termijn het leven te beëindigen: de mens lijdt het meest onder wat hij vreest. Men zoekt geen hulp bij zelfdoding, maar zoekt, naar menselijk vermogen, de zeggenschap en regie over het eigen levenseinde.

Het geval wil dat niet alleen de kwaliteit van (toekomstig) sterven maar misschien nog wel meer die van (huidig) leven er zeer door wordt verbeterd wanneer deze categorie mensen over een “laatste wil pil” kan beschikken. De praktijk wijst uit dat de beschikking daarover de wens tot levensbeëindiging sterk vermindert en dat wellicht die pil nooit zal worden gebruikt. Sleutelwoord hier is “geruststelling”: het is de stellige overtuiging van De Einder dat voor de substantiële minderheid der populatie die de “voltooid leven”-problematiek opgelost wil zien, het (huidig) leven er een stuk zonniger komt uit te zien wanneer zij wordt gerustgesteld dat zij niet op enig moment gedoemd is tegen haar wil verder te leven.

Iets anders waar de counselors tegenaan lopen, zo heeft De Einder van Ton Vink begrepen, is het optreden van de justitiële autoriteiten nadat een geval van zelfeuthanasie bij voltooid leven is gemeld. Een kritische blik op het optreden van de officiële instanties na melding zou de verwerking van het gebeuren door de naasten, die nu immers als nabestaanden verder moeten, zeker ten goede kunnen komen.

 

Namens het bestuur,

Miriam de Bontridder (juridische zaken)

[1] Onder “authentiek” wordt hier in existentialistische zin verstaan dat het individu de  verantwoordelijkheid voor de eigen keuzes neemt.