Hoe mijn moeder ons meenam in haar wens om zelf over haar dood de regie te voeren

Ik ben de oudste dochter uit een gezin met zes kinderen. Mijn ouders hadden een goed huwelijk en ik had het ook altijd goed met mijn drie broers en twee zussen. Onze vader overleed in 2005 op 83-jarige leeftijd vrij plotseling aan een herseninfarct. Onze moeder die 5 jaar jonger was, miste hem erg maar was ook heel blij voor hem dat hij niet hulpbehoevend was geworden.

Moeder redde zich uitstekend, ze hield bijen, reed nog auto, beoefende yoga, was lid van een tuinclub en een schilderclub. Ze deed haar huishouden zelf en was met moeite over te halen om een ochtend in de week een huishoudelijke hulp te nemen. Ze ging met ons mee op vakantie en liep dan met gemak tien km. Als we het over dat bewegen hadden, zei ze altijd “als ik niet meer bewegen kan, dan wil ik niet meer leven”.

Maar het was niet haar lichaam dat haar in de steek liet maar haar geheugen. Langzaam werd ze vergeetachtig en dat maakte haar onzeker en angstig. Ze werd bang om dement te worden en sloot zich aan bij allerlei verenigingen die zich met een zelfgekozen levenseinde bezighielden. Ze liet haar keuze voor euthanasie in geval van dementie vastleggen.

Voordat ze dat deed, schreef ze ons een brief waarin ze uitlegde waarom ze voor euthanasie koos. Dat was in 2009. Wij zessen vonden dat allemaal prima maar ervoeren haar angst om dement te worden als te voorbarig.

De angsten werden steeds groter. Angsten over ons wel en wee, over haar financiën, over haar lichamelijke toestand. Ze was eigenlijk heel bang voor lichamelijke aftakeling maar het meest bevreesd was ze voor geestelijke achteruitgang. Dat maakte haar soms somber als ze alleen was. We bezochten artsen en therapeuten in de hoop dat die haar zouden kunnen helpen om met haar angsten om te gaan. Maar dat was tevergeefs want voor haar waren haar angsten op realiteit gebaseerd. Regelmatig legde zij de huisdokter haar klachten voor maar hij stuurde haar meestal naar huis met de boodschap dat ze zo gezond als een vis was. Een keer vergezelde ik haar omdat zij om een geheugentest had gevraagd om bevestigd te zien dat ze echt dement werd. Dat was niet het geval maar zij vertrouwde de diagnose van de huisarts niet.

Het leidde ertoe dat wij kinderen meer gingen overleggen over wie wanneer iets met moeder zou doen. We vonden het allemaal fijn om dat te kunnen doen en ze was na een kwartiertje zorgen uiten altijd vrolijk en in voor leuke dingen.
Toch werd het leven voor haar geleidelijk aan steeds meer gecompliceerd. Het bijen houden lukte niet meer, autorijden ook niet, haar wereld werd kleiner. We verbouwden de schuur en een van mijn zussen ging drie dagen van de week bij moeder wonen en de anderen zorgden dat ze nooit langer dan een dag alleen was. Het maakte haar rustiger maar haar afhankelijkheid nam toe.

En zo gingen wij kinderen anticiperen op de dag waarop het haar alleen niet meer af zou gaan. Wij stelden haar voor het huis te verbouwen zodat ze beneden zou kunnen slapen en zochten de mogelijkheden voor thuiszorg uit. Ook probeerden we haar te verleiden om mee “leuke huizen in de buurt” te gaan bekijken. Maar daar wilde ze niets van weten. Ze zei: “Vóór die tijd ben ik al dood”. En dan antwoorden wij: “Hoezo, want je bent zo gezond als een vis ”. “Jullie halen voor mij toch een pil uit Zwitserland?”, was haar antwoord. Wij maakten haar duidelijk dat dat niet kon.

Toen besloot ze om mensen van Stichting de Einder langs te laten komen om te vertellen wat er wel kon. Dat gebeurde en met drie van ons erbij liet zij zich uitleggen wat ze zou kunnen doen om zelf een einde aan haar leven te maken. Dat was best heel veel en behoorlijk ingewikkeld voor haar. Ze schreef het op. Ze bezocht nog eenmaal de huisarts om te vragen of hij haar wilde helpen en om hem te laten weten dat zij nog steeds achter haar eerdere euthanasieverklaring stond. De huisarts begreep dat haar leven voltooid was en zegde toe dat hij haar zou bijstaan als ze zou stoppen met eten en drinken. Maar daar had ze geen vertrouwen in als het op dementie aankwam.

Na dat bezoek werd het mij wel steeds meer duidelijk dat zij echt vond dat haar leven klaar was. Ik zeg “steeds meer duidelijk” maar in die tijd was ik er nog helemaal niet van overtuigd dat zij klaar was om een einde aan haar leven te maken. Voor mijn moeder gold volgens mij toen: “Een mens lijdt het meest onder het lijden dat hij vreest”. Ik vond dat we haar moesten helpen om haar te laten inzien dat ze zich door ongefundeerde angsten het leven liet vergallen. Ik dacht, als wij maar aan haar laten zien dat het niet nodig is om bang te zijn, dan valt het allemaal mee. Ze kon ook nog zo goed genieten van mooie dingen buiten en zo goed lachen en praten over van alles en wandelen en in de tuin werken.
Maar ik wou liever niet zien dat ze geen boek meer kon lezen omdat ze na drie regels al was vergeten wat er voor die drie regels stond. Ik zag liever niet dat ze een eenvoudig breiwerkje niet meer voor elkaar kreeg en maakte allerlei uitleg voor het breipatroon. Ze bakte geen appeltaart meer want zelfs met recept ging het mis. Ik wou dat niet zien want zo was ze niet!

Ieder van ons zessen had zijn of haar eigen gesprekken met haar. Ieder van ons begreep op zijn eigen moment dat ze echt niet meer verder wilde. Met mijn verstand had ik al veel eerder laten weten dat ik haar wens respecteerde en dat ik haar op weg zou helpen met de computer als zij daarom vroeg. Dat deed ik ook. Ik zat naast haar toen zij het drankje bestelde en hamerde erop dat het ”ik” was als zij “wij” intikte.

Het pakje kwam en ze borg het op. We vroegen haar of zij wilde dat we erbij zouden zijn als ze het drankje zou innemen. “Ja, als jullie dat willen, wil ik dat ook” zei ze.
Maar ik dacht nog dat nu het drankje er eenmaal was, ze vast gerustgesteld zou zijn en dat het bezit ervan haar zou toelaten nog een beetje van het leven te genieten. Maar zo liep het niet. Het liet haar niet meer los.

Als wij kinderen met zijn zessen over de doodswens van moeder spraken, dan bleek dat we alle zes aan haar wensen wilden tegemoetkomen maar we dachten heel verschillend over hoe we dat moesten doen. Alles laten rusten en afwachten of toch haar helpen om haar naderend einde met ons erbij ter sprake te brengen? Wij stonden er lang bij stil hoe zij ons zonder woorden duidelijk maakte dat ze aan het afscheid nemen was. Eén van die manieren was: van alles weg geven. Ze stalde op een dag alle schilderijen in het huis uit en vroeg ons om ze mee te nemen. Ik stribbelde tegen en riep: We gaan toch niet je spullen verdelen zolang je er nog bent?”. Toen ik snapte dat dat haar manier was om te zeggen “Mijn plan om eruit te stappen, staat vast”, kon ik samen met mijn broers en zussen afspreken om de volgende keer dat ze iets aanbood, het gewoon aan te nemen. We zouden het dan later wel opnieuw verdelen.

Op een ochtend niet lang na het voorval met de schilderijen kwam ik bij haar thuis. Ze liep me tegemoet en gaf me direct een klein doosje. Ik dacht: “Dat moet ik nu dus aannemen”. Ik deed het doosje open en daarin lagen haar trouwring, het speldje met de zes parels en het kettinkje met het barnstenen hart. Alle sieraden die ze haar hele leven gedragen had. Toen begreep ik het. Ze had feilloos aangevoeld dat ik er nog niet aan toe was dat zij er een eind aan wilde maken en had bedacht dat dat wellicht de manier zou zijn om mij duidelijk te maken dat haar einde echt dichtbij was.

In de dagen die volgden, praatte moeder met sommigen van ons en had het dan over wanneer ze het drankje zou drinken. En het merkwaardige was dat zij het tegenover degenen die daar moeite mee hadden, niet over haar hart kon krijgen te zeggen dat het zou gaan zoals zij het zich voorstelde. Ze tastte de persoon tegenover zich af en trok zich terug als ze tegenstand vermoedde. Dat leidde ertoe dat er een moment ontstond waarop sommigen van ons zich neergelegd hadden bij haar beslissing en het bij anderen toch nog geen realiteit was. Op dat moment drong tot haar door dat ze tegenover ieder van ons open kaart moest spelen. Dat heeft zij vervolgens gedaan – op een manier die wij allemaal begrepen.

Op de door haar aangegeven dag kwamen we alle zes naar haar toe. We aten en sliepen daar, op de bank en in de schuur. We namen afscheid aan het ontbijt. Moeder deed de afwas en vroeg ons daarna om mee naar boven te gaan. We zaten om haar heen op het bed en zij dronk het drankje. Ze keek ons niet meer aan. Wij vonden het heel knap. Ze overleed na een paar minuten. Ze is 91 jaar oud geworden.

We belden de huisartsenpost, vertelden dat moeder gestorven was en gaven antwoord op hun vragen. Die lieten weten dat ze dan ook met politie en een extra arts zouden komen. Al deze mensen waren bijzonder aardig en begripvol tegenover ons. Helaas besliste later op de dag de officier van justitie dat er toch nog een onderzoek zou worden ingesteld en dat wij verdachten waren. Die beslissing werd de dag erna weer ingetrokken.

Ik ben ontzettend gelukkig met mijn zussen, broers, dochter en man die zoveel moeite hebben gedaan om moeder en mij en elkaar te begrijpen. En met een moeder die zo dapper datgene gedaan heeft wat ze altijd al had gezegd te zullen doen, op een manier waar we allemaal vrede mee hadden en die ons in staat gesteld heeft om erbij te zijn.

Auteur die anoniem wil blijven en mede namens haar twee broers en drie zussen spreekt

De zelfmoord van Elisa – als er geen pil voorhanden is

Door Wouter Schoonman in De Psycholoog, mei 2018
Foto Pixabay

Wouter Schoonman blikt als levenseindeconsulent terug op zijn contact met Elisa voor wie het wachten op een levenseindepil te lang duurde en die zich daarom heeft opgehangen.

Zelfmoord is van alle tijden. In 2016 benamen bijna 2000 mensen in Nederland zich het leven, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vaak zijn dat gruwelijke, wanhopige daden. Zo springen er in Nederland elke drie dagen twee mensen voor de trein, met trauma’s voor minimaal de machinist en de conducteur tot gevolg.
‘Herman Brood neemt in stijl afscheid’, aldus Trouw nadat deze bekendste Nederlandse rocker in 2011 van het Hilton hotel in Amsterdam was afgesprongen. Het is maar wat je ‘stijl’ noemt. Ook andere methoden zoals de strop, de kogel, het scheermes of vergif zijn niet humaan te noemen en bezorgen de achterblijvers veel leed.
Zo ook bij Elisa.

Op zaterdagmiddag om twee uur hebben Elisa – een jonge vrouw van begin twintig – en ik een afspraak, ergens in het noorden van het land. Zij wil van mij weten hoe ze aan een bepaald euthanaticum kan komen, omdat haar eigen zoektocht op internet niet is geslaagd. Op mijn verzoek vertelt zij haar verhaal: zij is afkomstig uit een liefdevol gezin, door omstandigheden wordt het gezin uitgestoten uit de religieuze gemeenschap waar ze eerder deel van uit maakten. Gevolg: veel familie en vrienden zijn weg. Elisa is in haar jeugd gepest, en krijgt sinds haar twaalfde last van allerlei psychische problemen, voornamelijk eetstoornissen en depressie. Tien jaar therapie door allerlei aanbieders helpen haar niet, zodat zij uiteindelijk een maand voor onze ontmoeting een suïcidepoging doet door opgespaarde pillen te slikken. Omdat zij niet alleen wil sterven, gaat zij – na inname van de pillen – naar haar behandelend psychologe in de verwachting in haar aanwezigheid te kunnen sterven. De psychologe belt echter meteen de ambulance en de maag van Elisa wordt leeggepompt. De therapie – bij deze zelfde psychologe – gaat hierna verder, maar volgens Elisa is het daarna alleen maar erger geworden. Tot zover een uiterst beknopte weergave van een intiem gesprek van een uur over een leven van tien jaar, door Elisa ervaren als ‘hel’.
In ons gesprek gaat het in eerste instantie over het verkrijgen van het door haar gewenste euthanaticum. Ze is een paar weken geleden lid geworden van Coöperatie Laatste Wil, maar denkt na de recente ontwikkelingen dat het te lang gaat duren voordat ze via die weg een euthanaticum kan verkrijgen. Conform onze interne afspraken bij De Einder verwijs ik haar naar het digitale Peaceful Pill Handbook (ePPH), maar zeg erbij dat er een leeftijdscheck is (50+). Omdat ze niet wil frauderen – bijvoorbeeld met haar vaders paspoort – bied ik aan intern te bespreken of er andere mogelijkheden zijn. Een tweede punt is dat zij niet alleen wil sterven, maar niemand heeft die ze kan vertrouwen. Ik overweeg of ik dan die persoon zal zijn en spreek af dat ik beide punten bij De Einder zal bespreken. Zij is dar tevreden mee, maar dan komt het moment.

Handdruk
Elisa zegt nu dat ze het beoogde euthanaticum ‘achter de hand wil hebben’, want ze heeft haar zelfmoord voor vanavond gepland. Mocht dat mislukken, dan is dat middel een tweede uitweg uit haar ellende. Ik schrik me een ongeluk, maar vraag hoe ze dat wil doen. Het blijkt via ophanging te zijn. Zonder haar oplossing meteen aan te vallen – dat probeer ik bij geen van mijn cliënten – stel ik voor een boswandeling te gaan maken. Zij stemt daarmee in en we wandelen ruim een uur samen. Tijdens deze wandeling doe ik een aantal dingen:
Ik bevestig dat ik de twee afgesproken punten zo spoedig mogelijk zal uitzoeken;
We maken een afspraak om de uitkomsten daarvan komende donderdag om 13:30 te bespreken;
Ik zeg dat ik het geen goede deal vindt als ik dingen voor haar ga doen en zij er misschien niet meer is als ik met de uitkomsten kom;
Ik zeg dat ik de door haar gekozen methode niet humaan vind.
Met dit alles is zij het eens. We spreken af dat zij tot donderdag zal wachten alvorens verdere stappen te ondernemen. We bevestigen deze afspraken met een stevige handdruk.
Verder probeer ik tijdens de wandeling over te brengen dat het menselijk brein ‘constructies’ maakt over de werkelijkheid. Bijvoorbeeld over jezelf en je omgeving. Sommige constructies werken goed, maar andere constructies niet. Omdat je eigen brein dit soort constructies maakt (‘Ik ben een waardeloos persoon’), kun je deze niet werkzame constructies ook vervangen door betere constructies. Ik geef haar een aantal voorbeelden uit mijn eigen leven. Ik ben geen psychotherapeut, maar beter weet ik op dit moment niet. Hetgeen ik probeer is een soort positieve mindset te bereiken en andere perspectieven te laten zien. Tja.
We rijden weer terug naar onze ontmoetingsplaats. Daar zegt zij – conform eerdere afspraak – mij te willen betalen, hetgeen ik afwimpel en zeg dat dat later wel kan. Zo scheiden onze wegen en ik voel me ietwat opgelucht dat we een dreigende agressieve zelfdoding voorlopig even hebben uitgesteld. Ik heb immers een nieuwe afspraak met haar en zij heeft nog steeds een kleine financiële schuld aan mij. Niettemin heb ik een erg onrustig weekend; en mijn geest is voortdurend bij haar.

Email
Op maandagochtend lees ik de volgende email van Elisa op mijn telefoon:

Dag Wouter,
Als je deze mail van mijn ouders ontvangt, heb ik toch nog zelfmoord kunnen plegen. Op het moment dat ik u de hand gaf en beloofde voor het andere middel te gaan, meende ik dat echt. Toen ik weer thuis kwam bekroop mij echter het gevoel niet nog zoveel weken in deze hel te willen en kunnen blijven leven. Ik heb het geplande spoor weer opgepakt en heb d.m.v. ophanging alsnog mijn leven beëindigd. Het spijt mij dat ik de belofte aan jou niet heb kunnen waarmaken. Toch ontzettend bedankt voor het fijne gesprek, uw tijd en inspanning! Mvg. Elisa

Ik ben kapot en tamelijk ontregeld. Bel meet een aantal vrienden en collega’s bij De Einder. De ouders hadden hun telefoonnummer bij deze mail gevoegd en hen heb ik ook meteen gebeld. Zij waren naar mijn mening nog niet over de shock heen, maar wilden mij graag uitnodigen voor de komende crematie. Uiteraard heb ik dat toegezegd en aangeboden op een later moment met hen te spreken over de laatste uren van Elisa. Dat aanbod werd van harte aanvaard. Dat gaat nog gebeuren. Ook hier leg ik de regie bij hen.

Slot
Dit is een van de akeligste gebeurtenissen in mijn periode als levenseinde consulent en als mens. Boosheid en droefheid over hoe het met Elisa in de zorg (ggz) gegaan is, maar dat schiet niet op. Wel roept dit geval weer de vraag op waarom gewone, capabele mensen die achttien zijn geworden wettelijk wel mogen stemmen, roken en drinken, zelfs als uitgezonden UN-soldaat mogen sterven, maar niet kunnen beschikken over een humane methode om hun eigen levenseinde te bepalen.

Dr. Wouter Schoonman is levenseindeconsulent, in associatie met De Einder. Ook is hij lid van de redactieraad van De Psycholoog. Email: schoonman@psytech.nl.

David (86) en Willemke (84) gruwelden van een verzorgingshuis

Artikel uit het Algemeen Dagblad, 4 februari 2014.

Ze stonden op de drempel van het verzorgingshuis, maar wilden niet naar binnen: David Postma (86) en Willemke Postma-Kloosterman (84) kozen liever zelf hun einde, in het bijzijn van hun vier zoons. ‘Vader had alles geregeld: Als er de laatste weken post kwam, schreef hij ‘overleden’ op de envelop en stuurde die terug.’

David en Willemke Postma

David en Willemke Postma

Ze kon nog net haar hand opsteken om naar ons te zwaaien. En met vader gebeurde enkele ogenblikken later hetzelfde. Hij zwaaide ook nog naar ons. Het was een prachtig afscheid.

Ze stonden samen, de armen om de schouders geslagen, in de deuropening van de slaapkamer. Vader had de medicijnen afgewogen en door twee bekers yoghurt gedaan. Ze hadden afgesproken het tegelijk in bed op te eten.

Afscheid

‘Maar moeder had zeker trek, want ze lepelde het zo naar binnen. Papa zei nog: ‘Wat doe je nu? We zouden toch tegelijk gaan?’ ‘Ik heb het al op’, zei moeder. Kort daarop gleed ze weg in haar slaap. Ze kon nog net haar hand opsteken om naar ons te zwaaien. En met vader gebeurde enkele ogenblikken later hetzelfde. Hij zwaaide ook nog naar ons. Het was een prachtig afscheid.’

Gruwel

De vier broers Rypke (59), Gerrit (57), Ids (52) en Albert (49) Postma vinden het ‘fantastisch’ dat hun ouders ‘ons dit zo hebben gegeven. Wij hebben het afscheid al gehad voor hun overlijden’.

David en Willemke Postma, oorspronkelijk afkomstig uit Friesland, riepen jaren geleden al, dat als ze zouden gaan, ze samen zouden gaan. De gang naar het verzorgingshuis, dat leek hen een gruwel, daar wilden ze absoluut niet heen. ‘Moeder was er veel eerder aan toe dan vader. Moeder zei al een paar jaar: ‘Het mag wel afgelopen zijn. Het wordt tijd voor de oven’, maar vader is er nog niet aan toe.’ En bovendien, ze hadden het ook nog goed samen met de kinderen, tien kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.

Gebak

‘Ze wilden niet in december, want dat is toch een feestmaand en dan zou voor ons de kerst altijd in het teken staan van hun dood. Januari was voor hen toch zo’n maand waarin verder niets gebeurt. Een mooie maand om te sterven. Moeder wilde nog even met de datum schuiven, want het was ook de verjaardag van de al overleden tante Dout. Maar we hebben gezegd: ‘Die staat aan de andere kant met gebak op je te wachten’.’

En zo werd Kerstmis een soort viering van het afscheid. De complete familie verzamelde zich bij zoon Gerrit thuis. Ze bekeken oude foto’s en haalden herinneringen op. En natuurlijk vloeiden er tranen. Maar er werd ook gelachen. ‘Je deelt vooral de leuke momenten van het leven. Het was een hoogtepunt.’

Stichting De Einder, die op humanistische grondslag steun geeft aan een zelfgekozen levenseinde, schoot te hulp. De Einder gaf raad over hoe David en Willemke het beste konden handelen, en welke formulieren en verklaringen ze moesten invullen.

‘Vader heeft het verder allemaal zelf gedaan. Hij was een pietje precies en heeft heel nauwgezet via internet alles uitgezocht en geregeld. Hij heeft zelf de medicijnen besteld, zelf de verklaringen opgesteld, maar ook zelf alle abonnementen en dergelijke opgezegd. Je moet jezelf redden, was zijn motto. En dat heeft hij gedaan. Hij had er ook wel plezier in. Als er dan post kwam schreef hij ‘overleden’ op de envelop en stuurde die terug. Moeder zei: ‘Vader regelt alles, ik ga gewoon mee.’

Dansen

‘Op de bewuste zaterdagmorgen waren we er allemaal. Mama hield van accordeonmuziek en dansen. We hebben een muziekje opgezet en we hebben nog even gedanst. ‘Dansend het leven uit. Wat is dit toch mooi,’ zei ze nog. Ze waren beiden in pyjama. ‘We hoeven ons vandaag niet meer mooi te maken.’ Moeder had haar haar met een elastiekje bij elkaar gedaan. Maar dat vond vader toch niet goed. ‘Wim je moet wel een haarclip in doen.’ Dat tekende hen.’

Justitie

Na het daadwerkelijk overlijden belden de broers de huisartsenpost. De arts die verscheen kon niet anders dan een niet-natuurlijke dood vaststellen. Daarop begon het proces met politie en justitie te lopen.

‘Maar de zaak was zo duidelijk. Vader had overal rekening mee gehouden. Ook om ons juridische gevolgen te besparen’.

David en Willemke zijn zaterdag in Meppel gecremeerd. In de advertentie staat een gedichtje van David, in het Fries. ‘We verlaten tevreden dit aardse bestaan, het is onze tijd, wij gaan.’

 

Het Besluit van Echtpaar S.

“Wij willen niet dat er een van ons alleen achterblijft.”

Bij het eerste bezoek in april 2011 vertellen de heer en mevrouw S. dat zij samen het leven willen beëindigen. Zij kennen elkaar 63 jaar. Het was liefde vanaf de eerste ontmoeting en dat is al die jaren zo gebleven. Al pratende wordt duidelijk dat de heer S. helemaal klaar is voor vertrek en dat mevrouw wat aarzeling heeft, maar dat alleen achterblijven voor haar ook geen optie is.

Het gezin heeft voor het werk van meneer lang en op vele plekken in het buitenland gewoond. Zij vertelt met trots dat zij door hem zoveel heeft gezien van de wereld en dat zij de zorg voor hun twee dochters had.

Mevrouw is 80 jaar en zou voor de derde keer een operatie moeten ondergaan in verband met een melanoom in haar gezicht. Daarnaast heeft zij door artrose veel pijn, haar man masseert haar regelmatig om de pijn en stijfheid wat te verlichten. Het lopen gaat steeds moeilijker. Meneer is 83 jaar en door een ernstig hartfalen heeft hij volgens artsen niet lang meer te leven. Daarnaast is hij al 32 jaar diabetespatiënt waarvoor hij zich twee maal per dag moet spuiten met insuline. Doordat hij een tia heeft gehad, moet hij vaker zoeken naar de woorden, wat lastig voor hem is. Zijn gezichtsvermogen gaat steeds meer achteruit en het lezen verloopt intussen met een loep. Vanwege al die klachten raakt hij steeds meer ontregeld en zijn angst om zo maar een keer weg te raken is groot. Meneer heeft voor zichzelf haast. Tevens voelt hij zich verantwoordelijk voor haar. Hij wil niet dat zij alleen achterblijft.

In 2010 hebben zij samen nog een lange buitenlandse reis gemaakt en het was voor hen duidelijk dat dit de laatste reis was. Intussen is hun auto verkocht en de wandelingen die zij samen nog maken worden steeds korter.

Al sinds de oprichting van de NVVE zijn zij lid en hebben zij wilsverklaringen ingevuld. De organisatie kon verder niets voor hen betekenen en zo zijn ze op zoek gegaan naar De Einder. Sinds 4 jaar wonen zij op deze plek en of hun huidige arts over hun wilsverklaringen beschikt weten zij niet. Dat probleem wordt opgelost. Het contact met de huisarts is niet goed, zij hebben veel kritiek op hem en op artsen en de gezondheidszorg in het algemeen. Hij sprak in het vuur van het gesprek zijn twijfel uit of hun huisarts zijn taak als arts wel begreep. Een verzoek aan de huisarts om euthanasie werd afgewezen. De wat heersende en dwingende houding van meneer speelde hierin zeker in zijn nadeel: een arts laat zich niet ‘chanteren’. Natuurlijke geneeswijzen hadden hun belangstelling en vertrouwen, met daarnaast een leefstijl waarin voeding en beweging belangrijk zijn. Meneer deed in het verleden veel aan sport en speelde lang geleden mee in het Nederlands handbalteam.

Door het boek ‘Uitweg’ van Boudewijn Chabot hadden zich goed verdiept in de mogelijkheden die er zijn. Stoppen met eten en drinken was geen optie in verband met zijn suikerziekte en het slikken van grote hoeveelheden pillen was ook niet hun keus. Zij waren vooral geïnteresseerd in het middel pentobarbital.

Een aandachtspunt voor mij was de nogal dominerende en aanwezige houding van meneer die de neiging had om voor mevrouw de beslissingen te nemen. Bij haar bespeurde ik bij kennismaking enige angst en onzekerheid. Daarom heb ik er haar meteen in het eerste gesprek op gewezen dat zij vooral haar eigen tijd moet nemen en dat zij zelf over haar levenseinde moest besluiten; dat meneer daarin zeer uitgesproken en duidelijk was betekende niet dat er bij haar geen ruimte voor aarzeling of angst mocht zijn.

Zij zou hierover nadenken. Toen ik haar de volgende keer sprak, bleek zij alle pro’s en contra’s te hebben afgewogen. Het was een dusdanig met elkaar vergroeid echtpaar voor wie zonder met de ander verder gaan niet bespreekbaar was. Behalve elkaar hadden zij geen familiale of sociale contacten. Mevrouw voelde niets voor een derde melanoomoperatie en ook gezien haar helse reumapijnen wilde zij niet doorgaan met leven. Zij stond duidelijk achter het besluit om het leven samen met haar echtgenoot te beëindigen.

Hoe moeizaam het thuis ook ging, het idee van zorg, ook thuiszorg was niet aan de orde. De kinderen hebben zij op de hoogte gesteld over hoe zij zich hun levenseinde voorstelden. Hun beide dochters, die hun ouders niet anders hebben gekend dan als een zelfstandig opererend echtpaar dat aan elkaar genoeg had, hebben hun besluit als een vanzelfsprekendheid gerespecteerd.

Na het plaatsen van de bestelling werden binnen drie weken de drie flesjes vloeibare pentobarbital bij hen thuis bezorgd. Helaas was er een flesje gebroken. Hoewel een flesje per persoon voldoende is om rustig en voorgoed in te slapen, kozen zij er toch voor om ieder 30mg flunitrazepam toe te voegen. Gewoon voor de zekerheid. Het antibraakmiddel konden zij gemakkelijk via de apotheek bestellen.

Intussen begon het appartement leeg te raken. Alles wat zij zelf konden regelen werd opgeruimd. Meneer die van mening was dat eenieder zijn eigen expertise heeft, wilde niet dat hun twee dochters met ‘de afwikkeling’ van het besluit van hun ouders werden belast. Daartoe wenste hij aan de begrafenisondernemer een exclusieve rol te geven. Het was duidelijk dat de begrafenisondernemer de sleutel kreeg om hen te vinden en niet de huisarts. Advertentie of rouwkaarten waren niet aan de orde. Wat hun kinderen betreft, waren zij er stellig over dat de dochters in leven afscheid van hen moesten nemen en verder niet bij de crematie zouden worden betrokken. Voor dat afscheid hebben zij een gezamenlijke middag met hun vieren gepland.

Ik had moeite met de gedachte dat het de begrafenisondernemer zou zijn die na afloop van de crematie de kinderen daarvan op de hoogte zou stellen. Het idee om vooral de kinderen zelf te laten besluiten om op hun eigen wijze afscheid van hun ouders te nemen omdat dit voor de verwerking goed is, vonden ze bij nader inzien toch beter en zij zijn bereid geweest om op hun crematie hun dochters toch aanwezig te laten zijn.

Op een zaterdagavond in juli om 22.00 uur wilden zij hun leven afsluiten. De dag ervoor was ik bij hen voor een laatste bezoek om alles door te nemen ter geruststelling van een ieder en om afscheid te nemen. Op de tafel lag een groot vel papier waarop hun keus om zelf dit leven te beëindigen goed zichtbaar werd gemaakt met de bij behorende verklaringen. Honing wilden ze nemen om de bittere nasmaak van de pentobarbital te neutraliseren en vervolgens de vermalen pillen met vla. Zij zouden alles van te voren klaarzetten in de slaapkamer en ook werden er extra kussens gebruikt om zo de gewenste houding te krijgen bij het innemen en inslapen. Zij waren vol vertrouwen en hun waardering voor de begeleiding door De Einder en voor de informatie uit het boek ‘Uitweg’ van Boudewijn Chabot was groot.

Tot slot werd mij nog een borrel aangeboden maar ik moest het bij water laten. Het was een bezoek met mooie verhalen over het leven, de voorbij gevlogen fijne tijd, de prachtige reizen, hoe mooi het samen was een leven zo met elkaar verweven te zijn. Ze spraken over de beleving van het ouder worden, de aftakeling van het lichaam, het zeker weten dat het leven eindigen in een verzorgingshuis niets voor hen is en dat het zo goed is.

Tot slot haalde meneer zijn kleine trekharmonica er bij en gingen zij nog samen een stuk spelen. Muziek was zo belangrijk geweest in hun leven en ze hadden er zo van genoten. Er was een ontspannen sfeer.

Het was een goede tijd geweest, dit prachtige leven samen en om dat leven ook samen af sluiten, dat was hun wens. En zo is het gegaan.

Thea Maarse (consulent van De Einder)

De laatste weken van Leen S. (of Murphy’s Law)

Leen S. is 89 jaar wanneer zijn tweede echtgenote overlijdt. Hij blijft wonen in het zorgappartement waar ze samen al geruime tijd woonden. Hij kan zichzelf nog aardig redden, mede vanwege de ondersteuning van zijn doortastende dochter Bea, inmiddels zelf al 55 jaar, die woont in een aangrenzend dorp van de middelgrote plattelandsgemeente waar zij directeur is van een basisschool.

Maar het gaat niet echt goed met Leen, al klaagt hij weinig. De huisarts schrijft hem antidepressiva voor, die hij na lang aandringen van de arts een paar maanden gebruikt, echter zonder de beoogde verbetering van zijn gemoedstoestand. Hij wordt er zelfs echt beroerd van, zijn conditie verslechterd zienderogen. Later zal Bea me vertellen:”Vader was niet depressief maar gewoon in de rouw, hij had géén levensperspectief meer.”

Gestopt met de antidepressiva vraagt Leen om euthanasie bij zijn huisarts, die hier niet van wil weten. Bij de jaarlijkse controle van zijn hart (Bea rijdt en vergezelt hem) vraagt hij de hartspecialist om euthanasie. Deze cardioloog negeert Leen’s vraag maar sluit het consult af met de opmerking: “Nou, dan hoeft u hier dus geen nieuwe afspraak meer te maken.” !!!

Leen is inmiddels 91 geworden en het laatste jaar 12 kilo afgevallen. De internist, waar de huisarts hem naar heeft verwezen (ook hier heeft hij, zonder resultaat overigens, zijn euthanasieverzoek ter tafel gebracht), heeft een geblokkeerde galgang geconstateerd en verwacht deze endoscopisch (medisch-technisch een betrekkelijk kleine ingreep) vrij te kunnen maken in een 24-uurs opname.

Intussen heeft Leen met behulp van zijn dochter wilsverklaringen in orde gemaakt. Een euthanasieverklaring en een niet-reanimeerverklaring. Zowel bij de internist alsook bij de huisarts zijn kopietjes achtergelaten. De oproep van het ziekenhuis voor de ingreep zal op korte termijn bij hemzelf in de brievenbus vallen.

Wat er in haar vaders hoofd omgaat weet Bea pas drie dagen voor de ingreep gaat plaats vinden. Leen heeft namelijk besloten om per direct te stoppen met eten en drinken om zo de opname te vermijden. Met een lichte paniek in haar stem belt Bea mij ‘s avonds met deze mededeling en de vraag hoe nu verder.

Zij had enige weken hiervoor de website van Stichting de Einder bezocht en naam en telefoonnummer van een counselor genoteerd en dit aan haar vader gegeven. Na interne afweging had ze besloten de actie aan haar vader over te laten en niet zelf een afspraak voor hem te regelen. Maar nu wordt het deze integere, intelligente vrouw ook te gortig.

Ik kan haar enigszins op haar gemak stellen door het proces van stoppen met eten en drinken in kort bestek te schetsen. Ook raad ik haar aan spoedig het boek ‘Uitweg’, dan reeds enkele weken vrij in de boekhandel te koop, aan te schaffen zodat ze goede informatie heeft en haar vaders proces kan verlichten en ondersteunen.

Echter, naar later blijkt, heeft Leen zijn onverhoedse, onvoorbereide actie maar 24 uur volgehouden en toch, meer of minder noodgedwongen, gekozen voor het ondergaan van de ingreep.

Tijdens de operatie blijkt de blokkerende galsteen te groot, endoscopisch gaat de verwijdering niet lukken en de chirurg legt een shunt aan voor de afvoer van galvloeistof naar de 12.vingerige darm. Een volgende, echte buikoperatie zal nodig zijn om deze hardnekkige verstekeling te verwijderen. Bea hoort – met toenemende verbijstering – dit verhaal uit de mond van de zaalarts, terwijl Leen nauwelijks ontwaakt is uit zijn narcose. Tevens vraagt ze waar haar vaders papieren liggen. Deze blijken pas drie dagen na dato op te duiken, noch de chirurg, noch de zaalarts waren ervan op de hoogte.

De mogelijkheid dat deze ingreep misschien niet zou lukken en wat het alternatief zou zijn was met Bea en haar vader vooraf niet besproken. Wél werd hun meegedeeld dat de hernieuwde operatie tussen 4 en 8 weken later zou kunnen plaats vinden. Dat er een volgende operatie moest plaatsvinden stond buiten elke diskussie. Een dag later is Leen weer terug in zijn eigen appartement.

Enkele dagen na de ingreep komt een verpleegkundige -zoals elke ochtend –kijken óf en zo ja welke hulp er nodig is. Een sleutel van meneer’s voordeur is er altijd beschikbaar voor de verpleging. Bij de voordeur aangekomen valt haar iets vreemds op. Een electriciteitssnoer hangt over de deur tot aan de deurklink. Wanneer ze de deur wil openduwen gaat deze zwaar.

Aan de binnenkant van de deur hangt het levenloze lichaam van Leen S., verlengssnoer om de hals gebonden, keukentrapje ondersteboven een meter ervandaan.

Wanneer de terstond gewaarschuwde Bea arriveert, vindt ze daar – behalve de lijkschouwer en twee politieagenten – ook een opengescheurde brief. De afzender is het ziekenhuis, interne afdeling.: een oproep voor een hernieuwde ingreep over drie dagen, vijf dagen na datering brief.

De gezagsdragers constateren dat meneer S. snel overleden is. De schouwarts voegt er aan toe dat hij waarschijnlijk weinig tot niet geleden heeft. Leen’s lijden van de laatste jaren, weken en dagen wordt hier ontegenzeglijk níet mee bedoeld.

De realistische dochter kan met het overlijden van haar vader : “Hij lag er rustig en relaxed bij toen hij een halve dag later opgebaard lag”, vrede hebben. Met de totale gang van zaken voorlopig zeker nog niet.

Marleen van der Gugten (consulent van De Einder)

Naar Dignitas in Zwitserland voor ‘De laatste reis’

“Ik heb een mooi en goed leven gehad. Nu hoef ik niet meer”, zei mevrouw O. toen ik haar voor het eerst ontmoette.

Het is zondagmorgen en in de auto op weg naar Zwitserland zitten vier mensen. Sommige kennen elkaar sinds een paar uur, andere al 20 jaar. Vier mensen die allemaal hetzelfde doel voor ogen hebben. Samen gaan ze ervoor zorgen dat een van hen aan haar laatste reis is begonnen en rustig zal mogen sterven in Zwitserland.

Wie zijn zij? Wie zijn deze spelers in dit wel heel bijzondere verhaal?

De chauffeur Jeroen, 36 jaar en kleinzoon van een vriendin van Mevrouw O. Hij zal ons heen en terug rijden op een safe manier. Els, een goede vriendin al sinds 20 jaar, die alles geregeld heeft wat deze reis mogelijk maakte en ik, counselor van de Einder en sinds december 2009 in contact gekomen met mevrouw O.

De hoofdpersoon is mevrouw O., bijna 90 jaar. Haar grootste wens is om haar leven te mogen beëindigen nu het al zo’n lange tijd niet goed meer met haar gaat. Een prachtig leven had ze, een leven waar ze met plezier op terug kijkt. Een leven vol boeiende contacten, uitdagende werkzaamheden en interessante reizen. Veel gezien, veel geleerd en veel pret gemaakt ook. Na haar pensionering bleef ze actief als adviseur en bestuurslid van diverse organisaties. Ze stond nog midden in het leven en dat beviel uitstekend. Ze bleef haar partijtje meeblazen. Haar vrijheid en zelfstandigheid waren haar zo lief dat ze er nooit toe kon komen om zich echt voor langere tijd te binden aan iemand. Zo bleef ze alle en gaand en eigen kinderen waren geen onderdeel van haar bestaan.

Toen ze in het voorjaar van 2009 ernstig getroffen werd door een hersenbloeding was de jeu eraf. Na revalidatie bleef de rolstoel haar vervoer middel en hoewel de spraak goed terugkeerde was ze niet meer in staat zelfstandig te wonen en moest ze haar ruime, mooi ingerichte flat verruilen voor een kleine kamer in een verzorgingstehuis. Suikerziekte ging haar meer en meer parten spelen, de doofheid nam toe, haar gezichtsvermogen nam af en haar grootste vrees was helemaal blind te worden. Daarnaast had ze last van hevige hoofdpijnen en pijn in haar armen. Ook was de kracht uit haar handen verdwenen. Haar zo sprankelend zelfstandig leven was gereduceerd tot een moeizaam doorbrengen van de dag in grote afhankelijkheid van anderen.

Lezen was slechts mogelijk met behulp van een sterke loep en haar geliefde klassieke muziek kon ze niet meer goed horen. In deze staat van zijn maakte ik kennis mat haar en vroeg ze me haar te helpen om met behulp van de organisatie Dignitas haar leven af te sluiten, omdat haar huisarts niet voor zijn geweten kon verantwoorden mee te helpen aan euthanasie. Voor versterven wilde hij wel alle ondersteuning geven, maar in de euthanasie vraag wilde hij niet meegaan.

Dignitas (een organisatie waar zij al jaren lid van was), helpt mensen die terminaal zijn, of van wie de lichamelijke conditie erg slecht is en waar geen verbetering meer mogelijk is, hun leven te beëindigen, waarbij de vrije wil van de lijdende persoon de hoofdrol speelt.

Na diverse gesprekken en de hulp van vriendin Els gingen de benodigde papieren richting Zwitserland. Hoewel mevrouw O. er niet gerust op was kreeg ze na veertien dagen een positief antwoord. Dat betekende nog meer formulieren en verklaringen en een eerste aanbetaling , want gratis is dit alles natuurlijk niet, hoewel er ook een regeling is voor mensen die in minder goeden doen verkeren.

Dit alles resulteerde in een ‘voorlopig groen licht’. Mevrouw O. en haar begeleiders waren welkom. Uitgezwaaid door medebewoners, vrienden en verzorgenden van het verzorgingstehuis begonnen we aan een bijna 800 kilometer lange tocht naar Zwitserland.

Hoewel we regelmatig stopten voor een kop koffie of een broodje bleek de reis buitengewoon zwaar te zijn voor mevrouw O. en kwam ze uitgeput aan bij ons hotel. Ze was zo vermoeid dat ze onmiddellijk in een diepe slaap viel toen ze in bed geholpen was. De volgende dag bleek haar constitutie zo verslechterd dat ze voortdurende zorg nodig had. Kon ze thuis nog vanuit haar rolstoel zelf diverse handelingen verrichten, nu bleek dat er 24 uur per dag iemand bij haar moest zijn. Haar lichaam liet het meer en meer afweten, maar haar geest bleef scherp en helder.

Maandagmiddag vond het eerste consult plaats van een arts die verbonden was aan Dignitas. Deze moest beoordelen of de vraag aan Dignitas positief beantwoord kon worden. Uit het gesprek bleek niet alleen hoe bewust en sterk mevrouw O. naar haar dood verlangde, maar ook hoe er geen enkel perspectief voor lichamelijke verbetering was. Mevrouw O. kreeg nu echt ‘groen licht’ en zo gebeurde het dat woensdagmorgen (de Zwitserse staat eist minimaal een dag bedenktijd tussen het eerste en tweede bezoek van de arts) na het tweede bezoek van de arts, waar opnieuw de wilsbekwaamheid getoetst werd, wij vertrokken naar ‘het Blauwe Huis’, waar twee zeer professionele begeleiders ons opwachtten met koffie, thee en chocola. Het huis was eenvoudig, rustig maar smaakvol ingericht. Naast de houten ronde tafel waar we in eerste instantie aanzaten bevonden zich ook een lekkere driezitsbank en een bed in de kamer. Door de diverse ramen was er uitzicht op een mooi aangelegde tuin, met een terras en een vijver. Het zacht stromen van het watervalletje en het gefluit van diverse vogels maakten het geheel compleet.

Mevrouw O. werd opnieuw gevraagd of ze haar leven wilde afsluiten en na een overtuigend ja kreeg ze haar eerste drankje, dat ervoor moest zorg en haar maag rustig te houden. Daarna wilde ze graag op bed gelegd worden, want ze was zo moe. Moe van het leven, moe van de pijn, moe van alle onrust en strijd rond haar wens heen te mogen gaan en moe van ‘alle gedoe’, zoals ze het zelf noemde. Na een laatste groet, een laatste omarming en een laatste ‘goede reis’ was het tijd voor het tweede drankje. Voordat ze dit aangereikt kreeg werd nogmaals gevraagd of ze dit wilde, in het besef dat na het drinken ervan ze in een diepe slaap zou geraken met de dood tot gevolg. Een helder, bijna ongeduldig “ja” was haar antwoord. Ze nam de beker en dronk hem zonder aarzelen in een keer leeg. Een slok water en een stukje chocola tegen de bittere smaak was het laatste dat ze in dit leven tot zich nam. Een diepe slaap nam snel bezit van haar en na ongeveer 10 minuten zagen we hoe haar adem oppervlakkiger werd totdat deze stopte. Haar gezicht ontspande zich, de rimpels streken zich glad en de bevrijding was gekomen. Zo wilde zij het en zo was het goed.

Voor mevrouw O. was het klaar, maar voor ons nog niet. Wij moesten wachten op de politie (drie man sterk) en de officier van justitie. Ook kwam er een schouwarts met een assistente. Alles werd zorgvuldig bekeken en onderzocht en tenslotte akkoord bevonden. Terug naar huis was er een wel erg lege pek in de auto. Lijfelijk was ze er niet meer, maar in onze harten en hoofden des te sterker.

Vaarwel dappere mevrouw O..

Vaarwel.

Tineke Oostendorp-Kamphuis (ex-consulent van De Einder)

 

Het verhaal van Anna

In de week voordat ze haar laatste project startte, ging ze naar de kapper. Haar grijze haar in een modieuze coupe geknipt.

Anna, bijna tachtig jaar, normaal postuur en diabetes II patiënte. Nee, geen kwestie van overgewicht maar van erfelijke aanleg. Haar vader had deze aandoening ook. Levensbedreigend? Geenszins; een beetje dieet, 1 tablet Actos en 2 Tolbutamide per dag en alles leek onder controle. Behalve die voeten. Hinderlijk, pijnlijk en beperkend zijn beide voeten (neuropathie), vooral de linkervoet vertoont zweren. Ze draagt orthopedisch aangemeten schoenen, het lijken wel legerkistjes, maar ze zijn steeds glimmend zwart gepoetst. Ze heeft er een haat/liefde verhouding mee, zonder deze schoenen kan ze nauwelijks op haar voeten staan.

De bewegingsbeperking, die alleen maar erger zal worden, staat in schrille tegenstelling tot haar onafhankelijke geest.

Haar toekomstige jaren ziet Anna niet met optimisme tegemoet, integendeel. Een voetamputatie hangt als een zwaard van Damocles boven haar hoofd. Haar vaders voorbeeld, drie opeenvolgende amputaties (voet – onderbeen – bovenbeen) in zijn laatste negen jaren, is voor haar een nachtmerriescenario.

Aan afhankelijkheid van anderen had ze ‘een broertje dood’. Hoewel, broers waren er niet, zussen ook niet. Het enige kind was ze, van ouders die veertig jaar oud waren bij haar geboorte. Ook haar beide ouders waren enig kind. Familierelaties ontbraken na het wegvallen van haar ouders. Wel had Anna een goede scholing gehad: opleiding tot coupeuse en Schoevers. Ze beschikte over een uitstekende algemene ontwikkeling. Getrouwd was ze op haar dertigste en blijven werken als secretaresse bij de toenmalige PTT. Het paar woonde op diverse locaties in de Randstad. o.a. in Amsterdam, en bleef kinderloos. “De eenzaamheid die ik zelf ervaren had”, vertrouwde Anna me toe in haar laatste heldere dagen, “dat wilde ik een kind niet aandoen.”

Medio tachtiger jaren (Anna was ca. 55 jaar) verhuisde het paar, op initiatief van haar echtgenoot, van de Randstad naar het Friese platteland, tevens geboortestreek van haar ouders. Vlak na deze ingrijpende verhuizing bleek haar dat haar man al jaren een buitenechtelijke verhouding had. Echtscheiding was een logische stap. “Wanneer ik dit eerder geweten had, was ik niet mee verhuisd,” vertelde ze me toen onze kennismaking vaste vorm had aangenomen. “Een huwelijk dat sociale geborgenheid had geboden, maar met weinig diepgang”, zoals ze achteraf zelf constateerde.

Maar de stap om weer terug te verhuizen naar de Randstad was té groot. Ze bleef, daar waar ze eigenlijk niet wilde zijn, en bouwde aan een nieuw sociaal leven.

Het plaatselijke dialect sprak ze moeiteloos, maar geestelijk verwant aan de plaatselijke bevolking voelde ze zich niet. Wel wordt na de echtscheiding de band met vriendin Siep groter. Zeker wanneer Sieps echtgenoot komt te overlijden en Siep alleen achterblijft.

De dames reizen veel samen en Anna omschrijft de band met haar vriendin als ‘zielsverwantschap’.

Wanneer Siep overlijdt (vier jaar voordat ik Anna leer kennen) ziet zij, ondanks de inmiddels weer opgebouwde kennissenkring, geen mogelijkheden meer om haar leven als zinvol te ervaren. Ook Anna’s fysieke gezondheid gaat geleidelijk achteruit.

Diverse kwalen en kwaaltjes nopen haar tot het inroepen van dokters- en/of specialistische hulp. Hieronder vallen ook twee ziekenhuisopnames (o.a. ten gevolge van een gebroken elleboog), die haar weer confronteren met de realiteit van het afhankelijk zijn. Sinds haar 70ste jaar woont ze, nog steeds zelfstandig, in een zorgappartement van een kleinschalig complex, in het centrum van het middelgrote dorp O. Hoewel ze met behulp van de buurttaxi nog daar kan komen waar ze wezen wil, ziet Anna de grenzen van haar autonomie akelig dichtbij komen.

Bij mijn eerste bezoek in O. (zeven maanden voor ze start met haar project) blijkt Anna in het bezit van het WOZZ (Wetenschappelijk Onderzoek Zorgvuldige Zelfdoding) boekje. Ze heeft in de twee hieraan voorafgaande jaren al contacten gehad met het Humanistisch Verbond en de NVVE, vertelt ze me. Van beide organisaties zijn ook dienstverleners met haar in gesprek geweest, maar toch vond ze niet díe informatie die ze zocht.

Enigszins sceptisch heeft ze uitgezien naar het gesprek met een counselor van Stichting de Einder. Van dit gesprek herinner ik me vooral de neutrale, feitelijke manier waarop Anna spreekt en vertelt. Zonder merkbare emotie, maar toch zeker niet kil. Ook vermeldt ze dat haar euthanasiewens bij haar huisarts bekend is.

Bij het doornemen van een aantal mogelijkheden volg ik het WOZZ boekje, en bij de optie ‘stoppen met eten en drinken’ bemerk ik enige agitatie. Om een of andere reden was haar oog daar nog niet op gevallen. Anna lijkt opgelucht, zal deze informatie gaan bestuderen en me bellen wanneer ze aan een volgende afspraak toe is.

Een oriënterende periode van zo’n half jaar volgt, met diverse telefoongesprekken en af en toe een persoonlijke ontmoeting. Deze gesprekken geven haar rust in haar hoofd, zegt Anna.

Dan volgt een gesprek met haar huisarts. Hier heeft ze als een berg tegenop gezien en het misschien ook wel voor zich uitgeschoven. Ze is namelijk erg bang voor een kritisch, afwijzend antwoord. Maar tegelijkertijd beseft ze dat ze zonder zijn steun en begeleiding haar voornemen om te gaan stoppen met eten en drinken, niet tot uitvoering zal kunnen gaan brengen. Op haar verzoek ben ik als toehoorder en als morele steun bij dat gesprek aanwezig. Het blijkt een –voor haar– beslissend gesprek. De huisarts voelt het belang van dit gesprek zeker aan, maar de methodiek van stoppen met eten en drinken en de naam van psychiater Chabot zijn hem onbekend. Hij belooft zich erin te gaan verdiepen en zegt in principe zijn steun toe.

Terwijl menigeen in een soortgelijke situatie nu zal zeggen: “Nu ik de oplossing binnen handbereik heb, kan ik met mijn leven doorgaan tot dat het juiste moment daar is”, pakt Anna door. Ze meldt me dat ze de datum geprikt heeft. Over vier weken, het laatste weekend van augustus (2009) zal ze haar proces starten en ophouden met voedselopname en drinken. Dan kan ze vanaf heden rekening houden met boodschappen, en in het geplande weekend haar restjes opmaken. Hoe pragmatisch!

De voorbereidingsweken worden besteed aan het opruimen, opzeggen van abonnementen, afbouwen van de gebruikelijke medicatie en kopen van de mondverzorgingsproducten. Met de taxi laat Anna zich naar de stad rijden om bij apotheek en drogist, anoniem, haar boodschappen te doen. Ook brengt ze    –met opgespaarde taxipunten– nog een bezoek aan goede kennissen in Amsterdam, om hen te informeren en om afscheid te nemen.

 

Het geplande weekend breekt aan. Op zaterdag, restjesdag, bezoek ik haar. Ze is, als altijd, zorgvuldig gekleed: pantalon, coltrui en colbertje. Ook haar haar zit stijlvol in model, kapperswerk merk ik op. Vol goede moed toont ze haar mondspray, suikervrije kauwgum en andere aankopen. Ze is onverminderd standvastig in haar voornemen en tegelijkertijd onzeker. Hoe zal het gaan? Hoe lang gaat dit duren? Dit zijn evengoed mijn vragen.

Bijna vijf weken later, op vrijdagnamiddag twee oktober overlijdt Anna.

In de eerste drie weken van haar project blijkt Anna nog behoorlijk zelfredzaam. Haar huishoudelijke hulp, die ook al enige tijd haar was verzorgt, komt twee keer per week. De thuiszorg komt enkele keren per week en helpt haar met douchen en persoonlijke verzorging. De wijkverpleegkundige –Anna kent haar nog van vorige gelegenheden– komt geregeld of na telefonisch verzoek.

De communicatie tussen wijkverpleging en huisarts is goed te noemen. (Thuiszorg en wijkverpleging zijn tevoren ingelicht over Anna’s initiatief.) De huisarts komt af en toe een praatje maken. Als counselor is mijn informerende taak ten einde, maar mijn morele steun blijft welkom; dus ga ik twee keer per week een uurtje, of wat langer, bij Anna op visite.

Alle aanloop en geregel om haar heen blijkt ze zelfs prettig te vinden. Het geeft haar afleiding. Ze geeft te kennen dat ze zich zo respectvol bejegend voelt door alle mensen die om haar heen zorgen. Zelf zit ze op de bank, stevig gesteund in een hoek, of strompelt van stoel naar tafel naar aanrecht en terug. Haar mond houdt ze vochtig door te gorgelen en het water weer uit te spugen.

Voor de nacht (ze is de enige in huis) neemt Anna haar gebruikelijke Seresta, met water.(Zeer waarschijnlijk –blijkt naderhand– is haar vochtgebruik meer dan de minimumslok om een tabletje door te slikken. Zie ook ‘Anna’ in Perspectief)
Aan het begin van de vierde week slaat de situatie om, de stemming ook. Ze kan niets meer en alles doet vreselijk pijn.

“Iedereen is lief, daar niet van, maar ik weet het niet meer”, kan ze nog net verstaanbaar uitbrengen. “Hoe lang moet dit nog duren?”

Anna vecht tegen haar tranen. Ze kan zich nog steeds niet laten gaan; ze wil, nog steeds, zo flink zijn.

Ik zie een mens die uitzichtloos en onomkeerbaar lijdt, los van welke ziekte dan ook die dit lijden veroorzaakt. Tv kijken wil en kan ze niet meer, ze ziet alleen maar stippen en strepen. De klok mag niet meer opgewonden worden, elk geluidje dringt haar door merg en been. Hoewel het ziekenbed in de woonkamer bij het raam staat, ligt ze niet de hele dag op bed. Hoe ze dat voor elkaar krijgt snap ik niet. Haar wilskracht is blijkbaar nog steeds beduidend groter dan haar feitelijke fysieke vermogen.

Vanaf nu accepteert Anna de voorgeschreven slaappillen (Nitrazepam ) en zwicht voor de aangeboden Fentanylpleisters (morfine). Met een onvoorzien resultaat. Ze raakt in een soort dronkenschaproes en slaat wartaal uit (de normaal voorgeschreven dosering bleek wat aan de hoge kant voor een patiënte die al weken op een 0-calorieën dieet stond). Zo vraagt ze bijvoorbeeld waar de injectie blijft die de huisarts haar zou hebben toegezegd. Het is duidelijk dat de huisarts zich hier erg ongemakkelijk bij voelt. Hij kan niet anders dan herhalen hetgeen hij van meet af aan gezegd heeft. “Geen euthanasie”. Wel belooft hij in overleg te gaan met het palliatieve team. Ook geeft hij indicatie voor nachtwake.

Vertrouwelingen, naasten, die er in geval van Anna dus niet zijn, zouden in een situatie als hier omschreven een geruststellende en beschermende rol kunnen en moeten spelen. Mijn aanwezigheid blijkt in elk geval niet overbodig. Het voorlezen van kleine verhalen en gedichten (Midas Dekkers, Toon Tellegen) heeft een kalmerende invloed op haar. Na enkele dagen morfinepleisters en beetjes drinken is Anna gestabiliseerd. Hoewel fysiek zeer fragiel, is ze mentaal weer aanspreekbaar. Ze gaat akkoord met de toegezegde sedatie die na het weekend ingesteld zal worden.

Een infuuspompje dient, via een onderhuids aangebracht naaldje, druppelsgewijs de medicatie toe. Deze medicatie –Nozinam en Midozalam– wordt elke vier uur, de klok rond, bijgespoten in het met oplosmiddel gevulde pompje. Het opstarten van deze procedure liep overigens weer een dag vertraging op – de ‘wet van Murphy’ is geen onbekende ten huize van Anna – omdat niet alle benodigde middelen in de dorpsapotheek voorhanden waren. Na 4 dagen sedatie, van onrustige slaap tot coma, overlijdt Anna. Zoals een lange trein schoksgewijs tot stoppen komt, steeds een deurtje verder, zo gaan ook haar laatste ademteugjes.

Vrijdagmiddag tussen 16.55 en 17.00 uur is het duidelijk dat er geen ademhaling meer is. Anna’s leven is voltooid.

Marleen van der Gugten (consulent van De Einder)