De positie van naasten bij euthanasie

Tijdens een door het Humanistisch Verbond en NVVE georganiseerde bijeenkomst werd stil gestaan bij de positie van naasten die betrokken worden bij de wens van een dierbare om met behulp van een arts het leven te beëindigen. Dat leverde interessante gezichtspunten op waarbij naast drie andere sprekers ook Marianne Dees het woord heeft genomen.

Als huisarts, SCEN-arts, onderzoeker en naaste confronteerde zij haar publiek met een aantal beschouwingen, waaronder de navolgende die stof tot nadenken geven:

Wat komt er op een naaste af wanneer hij geconfronteerd wordt met een dierbare die zijn leven wil laten beëindigen?

In de eerste plaats plaatst dit de naaste voor de vraag of hij kan invoelen dat iemand waarmee hij zich verbonden weet deze band door euthanasie wenst te beëindigen. Is het leven van een dierbare dermate ondraaglijk dat de dood boven het leven te verkiezen is? Want dat is het criterium: het lijden van hem die in de dood de oplossing voor zijn lijden zoekt. Dat vereist dat de naaste zich in de gevoelswereld van de ander verplaatst en bij wijze van spreken zelf dat lijden ervaart. Lijden evenwel is een persoonlijke ervaring en dit vergt dat op zoek gegaan wordt naar wat voor de ander het lijden ondraaglijk maakt. Het is niet evident dat elke naaste dat aankan.

In de tweede plaats is er de vraag wat voor impact het euthanasiebesluit van een dierbare op het eigen welzijn van intimi heeft. Niet geheel onbegrijpelijk is dat de naaste de dierbare zo lang mogelijk vast wil houden, bij zich wil hebben en stilzwijgend of expliciet protest tegen een nakend afscheid aantekent.

Daarnaast kan een naaste in de positie komen dat een dierbare een beroep op hem doet om hem te helpen de euthanasie te regelen. Marianne Dees gaf als voorbeeld de dochter die niet wilde dat haar moeder zou lijden maar die uitriep dat zij nooit zelf over de dood van haar moeder zou willen beslissen. Hier doet zich de botsing voor van de autonomie van degene die de dood zoekt met de autonomie van degene aan wie gevraagd wordt de autonomie van de ander over te nemen. Kan de naaste met behoud van zijn eigen autonomie voldoen aan wat de autonomie van de ander vergt?

Dilemma’s waar nauwelijks een antwoord op is te geven. Maar die hanteerbaar worden door ze te delen met wie daarvoor in aanmerking komt en door te trachten om er een formulering voor te vinden die de nagel op de kop slaat en het dilemma aldus bevattelijk maakt.

Richtlijnen voor de begeleiding van een jonge hulpvrager

Begeleiding van jonge hulpvragers die slechts de dood als oplossing voor hun lijden zien, vergt een andere aanpak dan de begeleiding van ouderen die het grootste deel van hun leven al achter de rug hebben. Voor jonge hulpvragers is van belang om weten dat consulenten van De Einder daarbij een stappenplan in acht nemen.

Steeds vaker komt het voor dat jonge mensen zich tot De Einder wenden om voorgelicht te worden over hoe zij een einde aan hun leven kunnen maken. Op basis van de steeds wisselende patronen waardoor de zoektocht van jongeren zich kenmerkt hebben consulenten van De Einder een aantal aandachtspunten op een rijtje gezet om bij begeleiding van jonge mensen op te focussen.

Consulenten hadden hier behoefte aan omdat het ook voor hen moeilijker te accepteren is dat iemand dood wil van wie ze als consulent in het gesprek het gevoel krijgen dat de wanhoop en machteloosheid van de betrokkene terug te voeren is op trauma’s die hanteerbaar te maken waren geweest indien de hulpverlening het niet had laten afweten. Tegelijkertijd willen consulenten absoluut respect hebben voor de weldoordachte doodswens ook van jonge mensen en niet hun eigen beleving laten overheersen.

Om hier meer greep op te krijgen hebben consulenten in een aantal diepgaande gesprekken met elkaar richtlijnen ontwikkeld waaraan ze houvast kunnen ontlenen als ze in gesprek met een jonge hulpvrager de balans niet kunnen vinden tussen eigen beleving en de beleving van de hulpvrager. Het zijn richtlijnen die moeten worden opgevat als hulpmiddelen die zowel de consulent als de jonge hulpvrager een handvat kunnen bieden maar die eveneens, afhankelijk van de individuele situatie, terzijde mogen worden gelegd. De autonomie van de hulpvrager naast deze van de consulent is het uitgangspunt.

Stichting De Einder is op zoek naar mensen die de Stichting een warm hart toedragen en ons willen ondersteunen door zich in te zetten als vrijwilliger

Stichting De Einder is op zoek naar mensen die de Stichting een warm hart toedragen en ons willen ondersteunen door zich in te zetten als vrijwilliger.

Onderstaand treft u de vacatures aan die op dit moment openstaan. Natuurlijk kunt u zich ook aanmelden als u zich wilt inzetten voor De Einder op andere vlakken of delen van de werkzaamheden die in de vacatures worden genoemd.

Vacature penningmeester >

Vacature officemanager >

De ervaringen van hulpvragers met niet-medische begeleiding bij zelfdoding

Martijn Hagens

Begeleiding bij het zelf willen kunnen beschikken over het tijdstip en de manier van het zelfgekozen levenseinde vormt het onderwerp van een drietal publicaties van Martijn Hagens et. al. Welke conclusies vallen uit zijn onderzoek te trekken?

De studies van Martijn Hagens richten zich op de niet-medische (of gedemedicaliseerde) hulp bij zelfdoding in Nederland, in het Engels omschreven als DAS. DAS is de afkorting van demedicalised assistance in suicide en staat voor het zelf willen kunnen beschikken over het tijdstip en de manier van het zelfgekozen levenseinde. Deze niet-medische begeleiding staat tegenover de medische hulp bij sterven zoals de arts die biedt binnen de wettelijke kaders van de Nederlandse euthanasiewet. Op die manier staat DAS tegenover PAD. PAD is de afkorting van physician assistance in dying en heeft betrekking op door een arts in een wettelijk kader verstrekte hulp bij een zelfgekozen dood.

Als eerste in Nederland heeft Martijn Hagens samen met andere onderzoekers research verricht naar zelfdoding die zich na niet-medische begeleiding en zonder automutilatie voltrekt. Zijn focus ligt niet zozeer op de overlijdens maar meer op de mensen die deze hulp zoeken en hoe dat ingebed ligt in de bestaande hulpverlening zoals geboden wordt door consulenten samenwerkend met Stichting De Einder. Hij heeft voor zijn onderzoek interviews afgenomen van 17 cliënten die door consulenten van De Einder werden begeleid.

In een eerste publicatie hierover uit 2014 werd op basis van door consulenten van De Einder ingevulde vragenlijsten nagegaan wat de kenmerken en uitkomsten waren van de consultaties die in 2011 en 2012 hebben plaatsgevonden. Het onderzoek spitste zich onder meer toe op de vraag naar de kenmerken van het lijden van mensen die voor DAS hebben gekozen en naar de uitkomst van het gesprek/de gesprekken die zij met consulenten van De Einder hebben gevoerd. Wat daarbij opviel was dat bij meer dan een derde van de hulpvragers niet de wens bestond om een einde aan hun leven te maken. Verder viel op dat van de mensen met een ernstige ziekte die om euthanasie gevraagd hebben, een ruime meerderheid een afwijzing ontvangen had. De belangrijkste drijfveer om zich tot De Einder te wenden, bleek verband te houden met de wens een pijnlijke dood te voorkomen. Een tweede reden was dat mensen op zoek waren naar geruststelling vooruitlopend op mogelijk toekomstig lijden.

Een tweede onderzoek uit 2016 op basis van diepte-interviews bevestigde wat de analyse van de ingevulde vragenlijsten uit het eerste onderzoek heeft opgeleverd. Wat de diepte-interviews daarbovenop lieten zien, was dat het merendeel der geïnterviewden PAD boven DAS verkozen, maar uiteindelijk op DAS uitkwamen omdat hun euthanasieverzoek was afgewezen. Redenen om PAD boven DAS te verkiezen hielden verband met (i) angst dat de zelfdoding zou mislukken, (ii) de tegenzin om verboden medicijnen te verzamelen, (iii) het gebrek aan steun van intimi, (iv) de negatieve connotaties die aan zelfdoding kleven en (v) de noodzaak tot geheimhouding om ingrepen van anderen te vermijden die erop gericht zijn de zelfdoding te voorkomen.

De derde studie uit 2019 bevestigt dat het bezit van een betrouwbaar en vreedzaam euthanaticum een grote bron van geruststelling is die de kwaliteit van leven aanzienlijk verbetert. Tegelijk wordt gesignaleerd dat het hebben van een dodelijk middel geen garantie voor complete geruststelling is. Bij diegenen die er over beschikken, rijzen nieuwe zorgen verband houdend met vragen rond het veilig bewaren ervan, de houdbaarheidsdatum, de betrouwbaarheid (is het geen fake middel?) en is er de angst dat het middel door de politie kan worden opgespoord dan wel dat het gevonden wordt door aanverwanten die het zullen vernietigen. Ook doen zich morele dilemma’s voor zoals het dilemma dat een geliefd persoon in een situatie komt te verkeren dat hij nog meer behoefte aan het middel heeft dan degene die over het middel kan beschikken.

Het behoeft geen betoog dat wat de derde studie uitwijst, laat zien welke kant het op moet gaan om de geruststelling die aan het bezit van een euthanaticum wordt ontleend compleet te laten zijn: Maak de pil van Drion legaal, dan verdwijnen ook de zorgen die met het bezit van die pil gepaard kunnen gaan. De pil van Drion legaal maken, komt er op neer dat de toegang tot het meest geschikte euthanaticum niet langer door de overheid wordt versperd anders dan om daarmee een hoger belang te dienen. Dat hogere belang kan niet zijn het belang van de beschermwaardigheid van het leven (‘Het door God gegeven leven’) dat sommige politieke stromingen verdedigen want als je op dat leven geen prijs stelt moet mogelijk zijn om het terug te geven. Wie niet de pil van Drion wil bezitten, heeft dat volle recht maar dat volle recht impliceert niet mede het recht om anderen het bezit ervan te onthouden.

Legale pil van Drion beëindigt onrust

Miriam de Bontridder

Juist de wetenschap dat men zelf de regie houdt, spoort aan tot leven. Maak de pil van Drion legaal, betogen Miriam de Bontridder en Hein Mijnssen in een opinieartikel in De Volkskrant

Ga naar de website van de Volkskrant om hun oproep over het legaliseren van de pil van Drion te lezen.

F.H.J. Mijnssen

F.H.J. Mijnssen is hoogleraar burgerlijk recht en raadsheer bij de Hoge Raad geweest vanaf 1986 tot aan zijn pensionering in 2002.

Miriam de Bontridder is raadsheer plv bij het Gerechtshof Amsterdam en voormalig bestuurslid Stichting De Einder.

Op 7 december 1991 heeft het NRC een interview geplaatst dat Frits Abrahams van Huib Drion heeft afgenomen naar aanleiding van diens eerder op 19 oktober 1991 in het NRC verschenen artikel met als titel “Het zelfgewilde einde van oude mensen”.

Huib Drion was hoogleraar burgerlijk recht die in 1969 zijn hoogleraarschap heeft neergelegd om lid te worden van de Hoge Raad tot hij in 1984 met pensioen is gegaan.

Gevraagd naar het waarom van een pleidooi ‘voor een middel waarover oude mensen konden beschikken om op aanvaardbare wijze uit het leven te stappen op het moment dat hun dat – gezien wat het leven hen nog te bieden heeft – passend voorkomt’, heeft Drion aangevoerd dat het bezit van zo’n middel de oudere mens rust zou geven.

Met name door relatief jonge woordvoerders van de Christelijke partijen wordt het bezit van een dergelijke pil onwenselijk geoordeeld omdat het stigmatiserend zou werken voor de oudere mens die zonder nog maatschappelijke relevantie te hebben, toch niet uit het leven wil stappen. Dat argument speelde ook al in de tijd dat Drion de wenselijkheid ter sprake bracht van het desbetreffende middel.

Drion maakte toen de navolgende wijze observatie in dagblad Trouw van 25 februari 1995 die er op neer komt dat de ene generatie niet voor de andere moet spreken: “Ik herinner me nog een discussie in een gezelschap van een stuk of honderd mensen (meerderheid bejaard), waarbij een vrouw van een jaar of 45 in een helder en bewogen betoog op de hiervoor genoemde gevaren van mijn voorstel had gewezen. Nadat zij had gesproken, stelde een oude dame zich achter de microfoon op en zei iets in deze trant: ‘Ik vind het best mooi wat we zojuist gehoord hebben, maar ik zou toch wel graag zo’n pil willen hebben.’. Applaus bij vele grijze en witte hoofden”.

Geen angst dat een wet op voltooid leven tot meer sterfgevallen zal leiden

Catharina Vasterling

Voor de groep die ‘rust’ wil is de wet op voltooid leven buitengewoon prettig want dan hoeven ze geen illegale dingen meer te doen om de dodelijke middelen in huis te krijgen. En voor die enkeling die ‘acuut dood’ wil is het een mogelijkheid om daarover te mogen praten en op een legale wijze eventueel het voornemen tot uitvoer te brengen.

Met het verschijnen van het onder leiding van Els van Wijngaarden uitgebracht rapport “Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ziek zijn” staat het thema voltooid leven weer volop in de belangstelling. Wat eveneens meespeelt is de aankondiging van Pia Dijkstra dat zij met haar initiatiefwet voltooid leven doorgaat.

Aan een en ander heeft de EO in NieuwLicht op 2 februari 2020 een uitzending gewijd. In dat kader werd eveneens Catharina Vasterling, adviseur consulentenaangelegenheden bij De Einder geïnterviewd.

Op de website van Nieuwlicht kunt u een fragment van dat interview bekijken en ook kennis nemen van een aantal quotes die degenen die bij De Einder aankloppen, zullen aanspreken.

Waaronder ook de navolgende ferme standpuntbepaling:

“Het is fijn om een andere samenleving te creëren, maar ik geloof niet dat dat op korte termijn gaat gebeuren. En laat de mensen die tussen wal en schip vallen dan in de tussentijd niet aan hun lot over. Je laat de mensen in de kou staan als je zegt dat de maatschappij moet veranderen.”.

Zelfs Els van Wijngaarden die met name in verandering van het maatschappelijk bestel de oplossing ziet waarmee mensen met een doodswens tegemoet moeten worden gekomen, schrijft in een slotparagraaf waarin ‘aandachtspunten voor beleid’ worden opgesomd het volgende: “Tegelijkertijd is het belangrijk om te onderkennen dat doodswensen en het existentieel lijden dat daaraan ten grondslag ligt, niet altijd oplosbaar zijn.”.

Inderdaad, waar door betere sociale zorg de existentiële problemen die ouderen ervaren, kunnen worden opgevangen, dient het streven daarop gericht te zijn, evenwel is het naïef te veronderstellen dat sociale zorg volstaat om alle categorieën van existentieel lijden op te lossen. De categorieën van existentieel lijden die door Els van Wijngaarden worden onderscheiden, en die zij op uitermate indringende wijze in twee zeer lezenswaardige hoofdstukken heeft beschreven, zijn samen te vatten onder de noemers (i) verlies van verbinding, (ii) levensmoeheid, (iii) worstelen met verlies, (iv) eenzaamheid en (iv) ambivalenties in het leven met een doodswens. Deze vormen van existentieel lijden blijken in meer of in mindere mate aan ‘la condition humaine’ inherent te zijn en kenmerkend voor ‘la condition humaine’ is dat dergelijk existentieel lijden veelal niet ten goede valt te keren.

Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn

Wat valt op in de conclusies van het onderzoek dat het ministerie van VWZ heeft laten uitvoeren naar de grootte van de groep van mensen die buiten het toepassingsbereik van de euthanasiewet valt omdat aan hun doodswens geen of te gering medisch lijden ten grondslag ligt?

Minister de Jonge heeft n.a.v. de conclusies van de commissie Schnabel verder onderzoek gelast naar de problematiek van ouderen die hun leven voltooid achten. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden onder leiding van Els van Wijngaarden en heeft geresulteerd in een rapport genaamd ‘Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn’ dat op 30 januari 2020 is verschenen.

Bij een niet geringe groep ouderen met een doodswens bestaat die wens vaak al een leven lang

Wat blijkt is dat bij een niet geringe groep ouderen de doodswens niet aan hun leeftijd gerelateerd is maar al veel langer bestaat. Daaromtrent wordt in het rapport het volgende opgemerkt: “Op basis van de data uit de vragenlijst valt niet te verklaren waar deze doodswens vandaan kwam, maar een eerdere kwalitatieve studie vond een verband met traumatische jeugdervaringen (Rurup, Pasman, et al., 2011). Deze bevinding lijkt haaks te staan op de gedachte dat de doodswens op hogere leeftijd ontstaat omdat het leven dan als ‘voltooid’ wordt beschouwd.”

Een vraag die hier op haar plaats is, is of er aan een doodswens die reeds uit de kinderjaren dateert altijd een trauma – of te wel lijden – ten grondslag moet liggen. Inderdaad kunnen traumatische jeugdervaringen tot een doodswens leiden maar niet iedere doodswens is gebaseerd op traumatische ervaringen. Kan een eenvoudige (deel-)verklaring niet zijn dat de ene mens met meer vitaliteit en levenskracht de wereld wordt ingeworpen dan de andere? Of is het een gekke gedachte dat er kinderen ter wereld komen waarvan het energielevel niet hoog genoeg is om de uitdagingen aan te gaan waarmee het leven hen confronteert? Simpelweg een vraag van geboren zijn met een volle of met een haperende dan wel een lege accu?

Beschikken over een zelfdodingsmiddel is de meest gekozen behoefte bij mensen met een doodswens

De cijfers in het rapport wijzen uit dat bij mensen met een doodswens hun grootste behoefte er niet in ligt dat een dokter of een levenseindeconsulent of een naaste hen helpt maar dat ze zelf over een zelfdodingsmiddel kunnen beschikken.

Inderdaad is niet verwonderlijk dat autonomie de meest nijpende behoefte is, maar daar valt wel als kanttekening bij te plaatsen dat mensen in hun wens om autonoom over hun dood te beslissen node een gesprekspartner missen om hun doodswens mee te delen. Opvallend is dat veel mensen die van plan zijn de laatste stap in hun leven er een van zelfdoding te laten zijn, nog altijd uit blijken te zijn op wederkerigheid. Diegenen die uiteindelijk hun doodswens met iemand bespreken, gaat het er in diepste wezen om dat zij zich door hun gesprekspartner begrepen weten en – liefst nog – dat deze er op de een of andere manier mee instemt.

Hoe omgaan met het sociaal taboe om een doodswens bespreekbaar te maken?

In het rapport valt te lezen: “Veel respondenten verlangden naar een wettelijke regeling, wat voor hen zou betekenen dat de doodswens beschouwd wordt als ‘iets gewoons’, ‘begrijpelijk’ of ‘gerechtvaardigd’. Ze ervoeren echter ook een sociaal taboe om te praten over hun doodswens en voelden zich in de steek gelaten door de maatschappij en regering (van Wijngaarden, Leget, & Goossensen, 2016).“.

De hiervoor geciteerde bevindingen sporen met de bevindingen van veel levenseindebegeleiders. Kunnen praten over de doodswens en daarin tegemoet gekomen worden met een reddingsmiddel in de vorm van een handleiding om een vreedzame dood te bewerkstelligen, geeft zoveel lucht dat de doodsobsessie regelmatig naar de achtergrond verdwijnt om in veel gevallen in een natuurlijke dood te eindigen.

De oplossing ligt dan ook voor de hand:

Zorg voor een aanbod van levenseindeconsulenten die als gesprekspartner kwalificeren en erken het recht op sterven. Onder ‘recht op sterven’ moet worden verstaan: het recht waarbij iemand met een doodswens die de gevolgen van het uitvoeren van die wens helemaal overziet en in het kader van de uitvoering met de gerechtvaardigde belangen van direct betrokkenen rekening houdt, toegang heeft tot een veilig en betrouwbaar middel dat een vreedzame zelfgekozen dood tot gevolg heeft of dat hij beroep op iemand kan doen die in zijn wens om vreedzaam te sterven, wil bewilligen.

De gesprekspartner over de dood

Onlangs heeft het Humanistisch Verbond De Einder als ‘de gesprekspartner over de dood’ in de schijnwerpers gezet. Geen vereiste is dat voor een gesprek een actieve doodswens moet bestaan. “De Einder, uniek in de wereld, helpt mensen met een doodswens. Niet alleen met voorlichting, maar ook met morele begeleiding. “Vaak ervaren mensen geen ruimte om over hun doodswens te praten. Wij zijn die gesprekspartner.”.

Ga naar de website van het Humanistisch Verbond om het interview met De Einder te lezen. En neem ook kennis van de andere artikelen op die website die vrijheid om over de eigen dood te beslissen, bepleiten.

Vrijheid om over de eigen dood te beslissen is een groot goed. Over de eigen dood beslissen kan en mag alleen de betrokkene, uitzonderingssituaties daargelaten. Steeds behoort het zelfbeschikkingsrecht voorop te staan. Niet genoeg kan het belang van een gesprekspartner daarbij benadrukt worden, niet om te sturen of ‘mee te beslissen’ maar om tot helderheid en uitkristallisatie van alle facetten te komen. Doodgaan doe je alleen maar eenzaam doodgaan valt te voorkomen door je van wederkerigheid verzekerd te weten.

De koffie-euthanasie: aan het woord is de Procureur-Generaal

Na de rechtbank Den Haag op 11 september 2017 is op 17 december 2019 de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat de arts die aan Catharina A. euthanasie heeft verleend, voldaan heeft aan de door de euthanasiewet voorgeschreven zorgvuldigheidseisen en dat de instanties die zich eerder over deze zaak gebogen hebben, t.w. de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie, het Regionaal Medisch tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege, tot een onjuiste beoordeling zijn gekomen.

Ruime beoordelingsvrijheid voor artsen en beperkte inzetbaarheid van het strafrecht
Een opsteker voor artsen zijn de beide uitvoerige conclusies van de Procureur-Generaal zeker. Voor artsen van groot belang is het allesoverkoepelend oordeel van de PG dat aan de arts een zeer ruime beoordelingsvrijheid toekomt wat betreft de vraag of aan de zwaarstwegende zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat een en ander door de rechter uitsluitend marginaal getoetst mag worden. Het strafrecht is daarbij slechts beperkt inzetbaar en mag pas een rol in geval van manifest laakbaar handelen van de arts spelen.

“De toetsingscommissie en het Centraal Tuchtcollege hebben onvoldoende de door de wetgever aan de arts gegunde medisch-professionele beoordelingsruimte gerespecteerd’, aldus de PG.

Waar het gaat om de vraag “of het in een specifiek geval zin heeft om te trachten om met de wilsonbekwame patiënt te praten over het moment en de wijze waarop de euthanasie wordt uitgevoerd, is [zijns] inziens – evenals de vraag of het zin heeft om te trachten te communiceren over het voornemen tot uitvoering van de euthanasie – een vraag die door de arts zal moeten worden beantwoord. Indien de arts, zoals in dit geval, tot de conclusie komt dat communicatie met de patiënt achterwege kan blijven omdat zinnige communicatie niet mogelijk is en een poging daartoe belastend is voor de patiënt omdat het mogelijk onrust, agitatie of agressie kan veroorzaken, moet dit medisch-professionele oordeel van de arts in beginsel worden gerespecteerd en daarom slechts op redelijkheid worden getoetst.”.

Handreiking door de Hoge Raad wenselijk in het licht van de commotie onder artsen
De ruim 230 pagina’s zijn geschreven vanuit de visie dat artsen na alle commotie die onder meer in de hand gewerkt is door de actie niet stiekem bij euthanasie, behoefte hebben aan een handreiking door de Hoge Raad. De visie van de PG over hoe die handreiking zou moeten komen te luiden, is helder:

“Patiënten hoeven niet weerloos opgesloten te raken in uitzichtloos lijden omdat de wet wel ruimte biedt om uitvoering te geven aan een schriftelijk euthanasieverzoek als betekenisvolle communicatie tussen patiënt en arts niet meer mogelijk is. De bevestiging daarvan door de Hoge Raad is wenselijk.”

Over (de consequenties die het OM heeft vastgeknoopt aan) de actie ‘Niet Stiekem bij Euthanasie’ schrijft de PG, zonder vermelding van voetnoten, als volgt:

“In de publiciteit is van de zijde van het College van procureurs-generaal aangegeven dat de in een dagbladadvertentie geuite zorg over euthanasie op gevorderd demente patiënten door een groep artsen die zich verzamelde onder de benaming ‘niet stiekem bij dementie’ een belangrijke drijfveer was. Dat een initiatief van bezorgde artsen onder dit vaandel werd gestoken, vind ik ongelukkig. In het licht van de vele beslissingen van de toetsingscommissies, de ruime transparantie van artsen bij gemeld opzettelijk levensbeëindigend handelen en de overwegingen voor gemaakte keuzes van artsen die daaruit blijken, is de associatie van stiekem handelen misplaatst. Of er reden is al of niet te proberen met een diep demente patiënt over levensbeëindiging te communiceren, is een ernstige vraag die weging van serieuze argumenten betreft. Wantrouwen is gemakkelijk gevoed, terwijl met de op feiten gegronde waardering voor de met toewijding gegeven zorg en de ethische betrokkenheid van de artsen bij de keuze van een patiënt voor een waardig levenseinde en de bereidheid daarbij toetsbaar te handelen, publicitair minder gemakkelijk positieve aandacht wordt verkregen.”

Is een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid wenselijk?
Aangaande de nieuwe wind die sinds 2017 bij het OM is gaan waaien, betwijfelt de PG of het wenselijk is om een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid te kiezen (citaat zonder voetnoten):

“De OM Aanwijzing draagt de kiem in zich van een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid dat enigszins in contrast staat met de bedoeling van de wetgever, waarin niet de normvorming in de euthanasiepraktijk als motief voor strafrechtelijk optreden voorop is gesteld, maar wel de omstandigheid van laakbaar strafwaardig handelen. […] Het OM is bevoegd om voor een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid te kiezen, maar of dat wenselijk is en ook volgt uit het doel van de wet, is een ander punt. Bij de toetsing van medisch handelen moet het vooral gaan om de bewaking en bevordering van goede zorg door normering van de euthanasiepraktijk. Daarvoor dient het strafrecht niet.”.

Integer handelende artsen zijn geen moordenaars
Over de kwalificatie van moord waartoe het OM gekomen is, valt (zonder vermelding van voetnoten) het volgende te lezen:
“Er is in de visie van het openbaar ministerie in dat geval een moord gepleegd. De redenering van het openbaar ministerie jaagt ongetwijfeld schrik aan bij artsen. Ik begrijp goed dat de rechtbank daar in een bijzondere overweging op in is gegaan.
[…]
De rechtbank komt niet toe aan toetsing van de vraag of indien er sprake is van enig tekortschieten van de arts bij een wel geboden verificatie van de actuele doodswens, het onvermijdelijk gevolg is dat dan ook geen sprake kan zijn van vaststelling van een ‘uitdrukkelijk en ernstig verlangen’ als bedoeld in art. 293 lid 1 Sr. Het openbaar ministerie beantwoordt die vraag bevestigend. Uw Raad zou afstand kunnen nemen van de daaraan ten grondslag liggende redenering, opdat integer handelende artsen de zekerheid hebben niet onverhoeds bloot te zullen staan aan het verwijt moordenaar te zijn als zij beoordelen welke vereisten in acht moeten worden genomen bij de verlening van euthanasie.
[…]
Er is in de visie van het OM in dat geval een moord zijn gepleegd. Deze redenering van het OM jaagt ongetwijfeld schrik aan bij artsen. Door het handelen van de arts als moord aan te merken wordt de “Typizität” van het handelen van de arts en de bedoeling van de wetgever naar mijn mening miskend. De redenering van het openbaar ministerie houdt ook overigens geen stand. De wetgever heeft verlening van euthanasie op verzoek aan een patiënt door de arts willen toestaan, mits de arts zich daarbij aan een aantal zorgvuldigheidsvoorschriften houdt. Bij niet naleving van die zorgvuldigheidsvoorschriften vervalt de straffeloosheid en kan veroordeling volgen wegens een strafbare vorm van euthanasie.”

Is de vrees gerechtvaardigd dat de schriftelijke wilsverklaring een weerloos mens tot speelbal van zijn wilsverklaring maakt?
Ook tempert de PG de angst die er bij sommigen leeft ten aanzien van de reikwijdte van een euthanasieverklaring. Dat een wilsonbekwaam iemand zijn euthanasieverklaring niet kan herroepen, betekent niet dat een weerloos mens aan zijn eerdere wilsverklaring zou kunnen worden opgehangen: ook op een weerloos mens is onverkort de voorwaarde van kracht dat hij ondraaglijk en uitzichtloos moet lijden om voor euthanasie in aanmerking te komen. Zie de citaten hieronder (zonder voetnoten):

“Voor het geval mensen door een incident, een stapeling van ouderdomskwalen of andere ziekte hun vermogen autonoom te beslissen kunnen verliezen, is door de wetgever voorzien in een alternatief. Het schriftelijk euthanasieverzoek dat in de plaats kan treden van de actuele wilsuiting, is gebaseerd op wat in de literatuur wel ‘precedent autonomy’ wordt genoemd. Dat concept gaat uit van een continuïteit van de persoon, waarbij de te respecteren zelfbeschikking wordt gelegd bij de persoon in een fase waarin deze aangaande het onderwerp van de verklaring nog wilsbekwaam was. De ‘former self’ waakt over de belangen van de ‘current self’. Op die wijze kunnen mensen hun ‘critical interests’, hun identiteit en de levensgeschiedenis die zij wensen, zo goed mogelijk vormgeven. Ook kan langs die weg door een persoon voorkomen worden zonder uitweg te belanden in een situatie van voorzienbaar uitzichtloos lijden. […] De persoon met verminderde vermogens blijft een zelfstandig mens die, los van wie de persoon ooit was, recht heeft op bescherming. Er kan een spanning optreden tussen een voorafgaande schriftelijke zelfbeschikking en de uit actuele beoordeling op te maken belangen van een persoon. De wettelijke voorwaarde van ondraaglijk en uitzichtloos lijden staat eraan in de weg dat op de mens die in een weerloze toestand is geraakt, geen acht geslagen zou worden.
[…]
Het openbaar ministerie meent dat wanneer wilsonbekwamen fysiek nog wel kunnen communiceren, een door hen geuite levenswens boven het schriftelijke euthanasieverzoek gaat. Een wilsonbekwaam persoon kan volgens het openbaar ministerie altijd een eerder euthanasieverzoek herroepen. Het openbaar ministerie vindt hiervoor aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis […].
De Minister heeft aangegeven dat de meest actuele uiting van de patiënt geldt. Gelet op hetgeen in de Nota naar aanleiding van het verslag wordt vermeld, kan worden aangenomen dat dit slechts betekenis heeft wanneer de patiënt nog in staat is tot een coherente wilsuiting. Als daar helemaal geen sprake van is zijn de uitingen geen zinvolle bron voor de verificatie van een schriftelijk verzoek. Hoewel in de wetsgeschiedenis wel aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt dat van de arts in beginsel verwacht wordt dat hij zal trachten te informeren naar de actuele wens van de wilsonbekwame patiënt, is van een plicht geen sprake geweest. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de arts, indien de patiënt niet meer tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, de vereiste overtuiging dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan moet krijgen op basis van zijn eigen beoordeling van het medische dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met andere hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten. Van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek zal hij overtuigd kunnen zijn indien zijn bevindingen geen aanleiding geven om het tegendeel aan te nemen. De vraag of het in een specifiek geval zin heeft om te trachten om de actuele euthanasiewens bij de daartoe wilsonbekwame patiënt te verifiëren, is een vraag die door de arts, zoveel mogelijk met inachtneming van zijn professionele inzicht zal moeten worden beantwoord. Het is aan de arts om te bepalen hoe hij in de concrete situatie van de patiënt het best kan achterhalen wat de wens van de patiënt is. Indien een arts tot de conclusie komt dat communicatie met de patiënt achterwege kan blijven omdat zinnige communicatie niet mogelijk is en een poging daartoe te belastend is voor de patiënt, moet dit medisch-professionele oordeel van de arts in beginsel worden gerespecteerd door de strafrechter. Hetzelfde geldt voor de vraag of tegenstrijdige uitlatingen van de wilsonbekwame patiënt omtrent zijn stervenswens in het specifieke geval als contra-indicatie moet worden beschouwd. Blijkens de EuthanasieCode 2018 toetst de toetsingscommissie bij de zorgvuldigheidseisen genoemd in art. 2 lid 1 aanhef en sub a, b en d Wtl marginaal. Een dergelijke marginale toetsing dient ook de tuchtrechter aan te leggen.”

Tot zover de bloemlezing uit beide doorwrochte en lezenswaardige conclusies van de PG die via de links hieronder integraal te lezen zijn. Aan zet is thans de Hoge Raad. Zijn oordeel wordt komend voorjaar 2020 verwacht.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:1338
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:1339

Mijn dood is niet van mij

Met zijn actie ‘Mijn dood is niet van mij’ beoogt Henk Blanken te bewerkstelligen dat meer artsen bereid zijn gevolg te geven aan de doodswens van een diepdemente patiënt. Die actie heeft ruim 13.000 steunbetuigingen opgeleverd en de hoop is nu gevestigd op de politiek opdat er voor de ‘achterblijversclausule’ een wettelijke basis komt.

In zijn beide boeken ‘Je gaat er niet dood aan’ en ‘Beginnen over het einde’ schildert Henk Blanken met indringende pennenstreken de dramatiek van een patiënt waarvoor het vooruitzicht geldt dat wanneer hij het tot vergevorderde dementie laat komen, zijn euthanasiewens door geen arts meer in behandeling zal worden genomen . In zijn Manifest ‘Mijn dood is niet van mij’ roept hij op tot actie om deze dramatiek te keren.

Ingevolge de euthanasiewet zoals die in België geldt, is euthanasie bij een diepdemente patiënt niet mogelijk. Om voor euthanasie in aanmerking te komen, mag de patiënt de fase van de beginnende dementie waarin er nog van wilsbekwaamheid sprake is, niet hebben overschreden. Voor wie precies wil weten hoe in België euthanasie bij vergevorderde dementie geregeld is, is er van de hand van Wim Distelmans het handig dunne naslagwerk ‘Voor ik het vergeet’ dat onlangs is verschenen.

Ingevolge de euthanasiewet zoals die in Nederland geldt, komt in beginsel ook een patiënt met vergevorderde dementie voor euthanasie in aanmerking, dus zelfs als er van geen wilsbekwaamheid meer sprake is, kan die patiënt euthanasie krijgen, doch slechts weinig artsen zijn bereid om iemand die niet meer kan bevestigen dat hij dood wil gaan, inderdaad het verlangde dodelijke spuitje te geven.

Met zijn actie ‘Mijn dood is niet van mij’ beoogt Henk Blanken te bewerkstelligen dat meer artsen bereid zijn gevolg te geven aan de doodswens van een diepdemente patiënt. De oplossing die hij in dat verband aanreikt, noemt hij ‘de achterblijversclausule’. Deze houdt in dat op basis van een door de patiënt opgestelde kraakheldere wilsverklaring een door de patiënt aangewezen liefhebbende naaste uit naam van de patiënt het moment kan kiezen voor euthanasie. Alsof de patiënt het zelf nog vraagt. Want: ‘Als een arts het niet alleen hoeft te doen, maar zich ook kan beroepen op de wens van een naaste met een volmacht, zullen meer artsen willen helpen.’.

In samenwerking met het Humanistisch Verbond werd aan het Manifest verspreiding gegeven. Dat heeft geleid tot meer dan 13.000 steunbetuigingen. Deze werden op 17 december 2019 aan de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid aangeboden. De hoop is nu gevestigd op de politiek om aan de ‘achterblijversclausule’ een wettelijke basis te geven.