Wat gaat voor: de wilsbekwame schriftelijke wilsverklaring of de niet-consistente levenswens van iemand die dementie heeft?

Miriam de Bontridder

De wetsgeschiedenis rond de schriftelijke wilsverklaring wijst uit dat het in strijd met de strekking van de Euthanasiewet zou zijn indien aan de niet consistente levenswens van een eenmaal wilsonbekwaam geworden persoon voorrang wordt gegeven boven de schriftelijke wilsverklaring die de desbetreffende persoon voorafgaand aan zijn wilsonbekwaamheid heeft opgesteld. Dit neemt niet weg dat er omstandigheden kunnen zijn die voor de euthanasiearts gegronde redenen vormen om de wilsbekwame doodswens niet in te willigen.

Van de hand van Miriam de Bontridder, bestuurslid van Stichting De Einder, is in het Nederlands Juristenblad, aflevering 37, 2019 een artikel verschenen dat de vraag behandelt wat prevaleert: Is dat de schriftelijke wilsverklaring van een wilsbekwaam iemand of is dat de niet-consistente levenswens van die persoon in de fase waarin hij/zij zich over de begrippen leven of dood geen wil meer kan vormen. Haar conclusie zoals die in het Nederlands Juristenblad, aflevering 37, 2019 te lezen valt, komt erop neer dat de euthanasiearts geen betekenis aan niet-consistente levenswensen hoeft te hechten, hetgeen niet wegneemt dat er desondanks gegronde redenen kunnen zijn om aan de schriftelijke wilsverklaring geen gevolg te geven.

Beginnen over het einde

In zijn op 23 oktober 2019 vers van de pers gerold nieuwe boek ‘Beginnen over het einde’ kaart Henk Blanken een paar pittige onderwerpen aan. Om er enkele uit te lichten:

‘Aleid Truijens kent niemand die wil sterven vanwege een ‘voltooid leven’. Ik ken niemand die om euthanasie vroeg omdat doodgaan de norm geworden is. En zelfs al zou een oudere zijn dementie vóór willen zijn, louter omdat hij zijn naasten niet wil opzadelen met zijn ziekbed – wie zijn wij om hem dat recht te ontzeggen?’.

‘Waarom zou de staat zijn zelfdoding moeten faciliteren, luidt de tegenvraag van René Cuperus en Aleid Truijens. Omdat die staat hem ook al die jaren in leven heeft gehouden, denk ik. Paul heeft er niet om gevraagd zo oud te worden. Je kunt hem niet laten opdraaien voor de eenzijdige fixatie van de medische wetenschap op het uitstellen van de dood. Je kunt Paul niet aanrekenen dat wij als samenleving niet kunnen wennen aan het idee dat de dood bij het leven hoort.’.

‘Het OM vindt dat een wilsonbekwame mens meer bescherming verdient tegen zijn vroegere ik. Zolang een patiënt nog aanspreekbaar is, zolang een diepdemente mens nog tot iets als communicatie in staat is, moet een arts blijven zoeken naar een spoortje levenslust, naar een antwoord dat die diepdemente mens niet meer kan geven. Dat leidt tot een zich eindeloos herhalende opdracht. Want als die patiënt vandaag niet meer wil leven, wil ze dat misschien morgen nog wel en kan een arts vandaag geen euthanasie verlenen.’.

In samenwerking met het Humanistisch Verbond is Henk Blanken een actie gestart om de vrijheid te krijgen over de eigen dood te mogen beschikken. Steun de oproep die Henk Blanken in dat verband aan de regering doet en teken hier zijn Manifest.

Over het manifest wordt op 27 november 2019 een avond in Utrecht georganiseerd:
https://www.tivolivredenburg.nl/agenda/een-avond-voor-de-achterblijvers-27-11-2019/

Henk Blanken (1959) is journalist en schrijver. Hij is bereikbaar op henkblanken@gmail.com.

De koffie-euthanasie

De vraag of de arts onder alle omstandigheden moet proberen met een inmiddels wilsonbekwame patiënt te communiceren alvorens euthanasie te verlenen is tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp uitdrukkelijk aan de orde gesteld en de wetgever heeft bewust ervan afgezien een dergelijke plicht in de wet op te nemen.

De zgn. koffie-euthanasie houdt de gemoederen onverminderd bezig. Het betreft het geval waarin een verpleeghuisarts op 22 april 2016 op basis van een zo op het oog niet duidelijke schriftelijke wilsverklaring euthanasie had verleend aan een diep demente 74-jarige vrouw zonder daarover, voorafgaande aan de uitvoering van de euthanasie, nog met haar te spreken en zonder de uitvoering van de euthanasie te staken toen de vrouw afwerend leek te reageren op het inbrengen van het infuus en de toediening van de euthanatica.

Voor een goed begrip van de zaak is het belangrijk te weten dat de patiënte, wegens haar ervaring met haar moeder, onder geen beding in een verpleeghuis wilde worden opgenomen, dat zij in de loop van 2015 door voortschrijdende Alzheimer wilsonbekwaam was geworden, dat zij op 3 maart 2016 toch in een verpleeghuis was opgenomen en dat zij, volgens alle deskundigen op dementiegebied die haar hebben meegemaakt, ondraaglijk leed.

Over die zaak hebben zich inmiddels vier instanties gebogen. Drie daarvan: de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE), het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (ECLI:NL:TGZCTG:2019:68), vonden dat de arts niet zorgvuldig had gehandeld. Het Openbaar Ministerie (O.M.) besloot tegen de arts strafvervolging in te stellen. Op 11 september 2019 heeft Rechtbank Den Haag in de strafzaak uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2019:9506) en geoordeeld dat de arts aan alle wettelijke eisen voor een zorgvuldige euthanasieverlening heeft voldaan.

Wie de uitspraak van de rechtbank aandachtig leest kan niet anders dan concluderen dat de aanpak van de arts van deze gecompliceerde euthanasie voorbeeldig is geweest. Waarom is zij dan aan al deze langdurige en belastende procedures onderworpen?

Het strafrechtelijk onderzoek ontlast de arts

De tekst van de schriftelijke wilsverklaring bevat ogenschijnlijk een tegenstrijdigheid. Volgens velen had de patiënte niet duidelijk opgeschreven dat zij hoe dan ook euthanasie wilde, ook als zij, in diep demente toestand, niet meer zelf mondeling om euthanasie zou kunnen vragen.

Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt nu dat de huisarts en de geriater destijds ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat euthanasie alleen mogelijk is als een patiënt nog wilsbekwaam is en bovendien nog zelf om euthanasie kan vragen. Daardoor gaven zij aan de patiënte en haar familie onjuiste informatie over de mogelijkheid van euthanasie voor het geval dat de patiënte in diep demente toestand in een verpleeghuis zou moeten worden opgenomen. Die onjuiste informatie leidde tot de genoemde ogenschijnlijke tegenstrijdigheid in de schriftelijke wilsverklaring. Uit een brief van de geriater aan de huisarts, in het medische dossier, en ook uit verklaringen van de echtgenoot en de dochter van de patiënte blijkt echter dat het de vrouw er vooral om te doen was dat zij niet diep dement in een verpleeghuis zou moeten verblijven, zoals haar moeder eerder was overkomen, en dat zij juist in zo’n situatie euthanasie wilde. Dat was ook de conclusie die de verpleeghuisarts in maart 2016 trok op grond van het medische dossier van de patiënte en op grond van gesprekken die zij met de echtgenoot en de dochter van de patiënte had gevoerd.

Moet een schriftelijke wilsverklaring dan niet voor zichzelf spreken om als basis voor een euthanasie te kunnen dienen? Dat blijkt niet altijd mogelijk en dat hoeft ook niet. Uit de parlementaire geschiedenis van de Euthanasiewet blijkt duidelijk dat de arts, in geval van een niet geheel duidelijke wilsverklaring, zijn overtuiging dat aan de belangrijke voorwaarde van een ’vrijwillig en weloverwogen’ euthanasieverzoek is voldaan, mede mag baseren op andere informatiebronnen, zoals het medisch dossier van de patiënt, inlichtingen van andere behandelaars en op gesprekken met naasten zoals in dit geval de echtgenoot en de dochter van de patiënte. De Ministers Korthals (Justitie) en Borst (Volksgezondheid) hebben destijds in het parlement één en andermaal uiteengezet dat zij geen hoge formele eisen wilden stellen aan de schriftelijke euthanasieverklaring, opdat ook mensen zonder juridische kennis zo’n stuk zouden kunnen opstellen.

Ik teken hierbij aan dat de officier van justitie een pluim verdient voor zijn objectieve onderzoek waardoor de Rechtbank haar oordeel, anders dan eerder de RTE en het Regionaal Tuchtcollege, op de juiste gegevens heeft kunnen baseren. De officier van justitie concludeerde in zijn requisitoir dat de verpleeghuisarts op basis van de tekst en strekking van het schriftelijke euthanasieverzoek en de nadere informatie van de echtgenoot en de dochter tot de overtuiging mocht komen dat de patiënte euthanasie wilde wanneer zij zou worden opgenomen in een verpleeghuis en dat dat verzoek vrijwillig en weloverwogen was. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie.

Het is jammer dat de gegevens die de officier van justitie heeft verzameld (de brief van de geriater aan de huisarts en de nadere informatie van de echtgenoot en de dochter) niet al tijdens de behandeling van de zaak door de RTE beschikbaar waren. Dan was deze wellicht tot een ander oordeel gekomen, waardoor de arts veel ellende was bespaard. De toetsingscommissies hebben echter minder onderzoeksbevoegdheden dan het Openbaar Ministerie. De RTE’s ontvangen wel de dossiers, waarin ook de verslagen/correspondentie met specialisten; zij kunnen de arts en andere behandelaren en deskundigen voor een nadere mondelinge toelichting uitnodigen, maar niet de familieleden van de patiënt.

De arts hoefde niet met de diep demente patiënte te ‘praten’

De volgende vraag die in deze zaak door het O.M. werd opgeworpen is of de verpleeghuisarts, alvorens tot uitvoering van de euthanasie over te gaan, had moeten verifiëren of de vrouw nog steeds dood wilde. Volgens het Centraal Tuchtcollege moet een arts dat altijd doen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gegeven de diep demente toestand waarin de patiënte zich inmiddels bevond, op de arts niet de plicht rustte te informeren naar een actuele levens- of stervenswens van de patiënte. Daarmee zou een eis worden gesteld die de wet niet kent. De rechtbank overwoog onder meer:

‘Patiënte verkeerde zoals al eerder aangegeven, in een diep demente toestand. Zij had geen enkel ziektebesef of –inzicht meer, zij wist niet meer wat euthanasie inhield, zij herkende haar eigen spiegelbeeld niet meer, zij sprak nog wel maar aan wat zij zei was, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd aan de hand van de gemaakte opnamen, geen touw meer vast te knopen. Zij kon haar wil dus niet meer coherent kenbaar maken.’

Ik teken hierbij aan dat de vraag of de arts onder alle omstandigheden moet proberen met een inmiddels wilsonbekwame patiënt te communiceren alvorens euthanasie te verlenen tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp uitdrukkelijk aan de orde is gesteld en dat de wetgever bewust ervan heeft afgezien een dergelijke plicht in de wet op te nemen. Minister Korthals antwoordde op een desbetreffende vraag:

‘Dan komen wij in de casuïstiek terecht en dat is ongelooflijk moeilijk. De arts gaat in het medisch dossier na wat er is gebeurd en welke aanwijzingen dat dossier geeft. Voorzover er familieleden en nabestaanden zijn, zal de arts bovendien proberen om ook bij hen een indruk te krijgen. Als de betrokkene zelf zijn mening nog kenbaar kan maken, zal de arts daar zeker gebruik van maken.’

De drie artsen die de patiënte in haar laatste levensfase hebben ‘gesproken’ en geobserveerd waren het erover eens dat zij geen mening meer kenbaar kon maken.

Volgens sommige commentatoren zou de rechtbank een demente patiënt hiermee het recht ontzeggen om nog over zijn leven te beschikken. Dat zegt de rechtbank echter niet. Als een ten aanzien van zijn euthanasieverzoek inmiddels wilsonbekwame patiënt die, anders dan deze 74-jarige vrouw, nog wel een besef heeft van het begrip ‘dood’, duidelijk aangeeft niet dood te willen mag de arts geen euthanasie verlenen. Blijkens de wetsgeschiedenis is dan sprake van een ‘gegronde reden’ om het euthanasieverzoek niet in te willigen. Dat is al jaren ook de lijn van de toetsingscommissies euthanasie.

De levensbeëindiging is medisch zorgvuldig uitgevoerd

De verpleeghuisarts deed een sterk slaapmiddel (premedicatie) in de koffie van de patiënte, zonder dat zij eerst een poging had gedaan de patiënte te informeren over wat haar te wachten stond.

De rechtbank acht de uitvoering van de euthanasie zorgvuldig. De door de rechter-commissaris benoemde deskundige-anesthesioloog heeft als zijn oordeel te kennen gegeven dat premedicatie wenselijk kan zijn als er bij een wilsonbekwame patiënt aanwijzingen zijn (zoals in deze zaak het geval was) dat onrust, agitatie of agressie kan ontstaan bij de daadwerkelijke handeling van euthanasie.
De fysieke en verbale reacties die de patiënte vertoonde bij het uitvoeren van de euthanasie betreffen volgens de deskundige reflexmatige reacties die niet tot het bewustzijn van de patiënte doordrongen.

Cassatie in het belang der wet

Het Openbaar Ministerie ziet af van het instellen van hoger beroep bij het gerechtshof maar legt wel bepaalde rechtsvragen voor aan de Hoge Raad. De Hoge Raad kan ook de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 19 maart 2019 in zijn beoordeling betrekken (artikel 75 Wet BIG).

Maar welke beslissingen de Hoge Raad ook neemt, het raakt de arts niet langer. Zij is definitief ontslagen van alle rechtsvervolging.

Slotconclusie

De verpleeghuisarts heeft een gecompliceerde euthanasiezaak, die kort voor haar pensionering op haar weg kwam, op voorbeeldige wijze tot een einde gebracht. Zij is door de rechtbank volledig gerehabiliteerd.

Theo Matthijssen, gepensioneerd rechter

Welke ‘ik’ heeft het meeste recht van spreken als het om leven en dood gaat?

Miriam de Bontridder

In ons rechtsstelsel moet tegenover het recht op leven een recht op sterven komen, aldus Miriam de Bontridder op de opiniepagina van Trouw d.d. 9 september 2019

Aan het eind van zijn requisitoir gekomen, gaf de Officier van Justitie op 26 augustus 2019 jongstleden de volgende samenvatting van zijn betoog in de zaak tegen de arts die aan een patiënte met vergevorderde dementie euthanasie had verleend:

“Zo kom ik tot de volgende conclusie. De wilsonbekwame patiënt heeft het laatste woord. Zijn levenswens is doorslaggevend. Als de patiënt die wens (verbaal of non-verbaal) kenbaar maakt, mag er geen uitvoering worden gegeven aan zijn eerdere schriftelijke euthanasieverzoek. […]. Bij wisselende uitingen van een doods- en levenswens komt meer gewicht toe aan de kenbaar gemaakte levenswens. “

Het standpunt van het OvJ in de zaak Catharina A. zoals dat als een rode draad doorheen het hele requisitoir verweven was, luidt dus kort samengevat aldus dat als een patiënt met vergevorderde dementie niet consistent is in zijn doodswens doordat hij behalve veelvuldige doodswensen, ook signalen uitzendt die als levenswensen kunnen worden opgevat, de al dan niet zeldzame levenswensen hoe dan ook boven de veelvuldige doodswensen moeten prevaleren.

Dit moet aan de Haagse rechtbank die naar verwachting op 11 september 2019 in deze zaak uitspraak doet, stof tot nadenken geven, nu het hele requisitoir van de OvJ vertrekt van de volgende hamvraag:

“Moet de ene versie van dezelfde persoon tegen de andere versie van zichzelf worden beschermd? Is het laatste woord aan de persoon die bij volle verstand een schriftelijk verzoek heeft opgesteld of aan dezelfde persoon in latere, demente toestand?”

Anders geformuleerd: Moet de wilsbekwame ik tegen de wilsonbekwame ik beschermd worden of is het andersom?

Volgens het Openbaar Ministerie is het andersom. Voor de motivering daarvan wordt een beroep op de beschermwaardigheid van het leven gedaan. Waarmee het gehele betoog van de OvJ maar weer eens laat zien dat er in ons rechtsstelsel tegenover het recht op leven een recht op sterven moet komen; dat een recht op leven een leeg omhulsel is als het leven lijden geworden is en de betrokkene de dood heeft verkozen om aan dat lijden te ontkomen.

De hoop is nu gevestigd op wijze rechters in de gelederen van achtereenvolgens rechtbank, gerechtshof en cassatiehof die het juridisch steekspel waartoe de wetgever van destijds aanleiding gegeven heeft, laten voor wat het is en zich concentreren op deze ene nuchtere vraag: Is de schriftelijke wilsverklaring in de wet gekomen om de wilsbekwame ik tegen de wilsonbekwame ik te beschermen of is het andersom?

Trouw, 9 september 2019

Euthanasie bekeken door de ogen van hen die achterblijven

Voor elkeen die achterblijft is het rouwproces dat volgt op een euthanasie van een nabestaande anders. Kortgeleden hebben Jasmina Mouchrique in ‘Als stilte valt’ en Mieke Maerten in ‘Ik moet nu gaan’ verslag gedaan van wat euthanasie bij een zus respectievelijk een zoon met hen heeft gedaan en hoe zij het proces van ‘laten gaan’ hebben beleefd.
 
Als stilte valt

Jasmina Mouchrique is na een vierjarige opleiding in Gent afgestudeerd als creatief therapeut en begeleidt sindsdien psychiatrische patiënten. Een aantal jaren geleden is bij haar zuster een cyste in de hersenen ter grootte van een tennisbal geconstateerd en aan de operatie heeft zij een Niet Aangeboren Hersenletsel (N.A.H) overgehouden.

De auteur beschrijft hoe de persoonlijkheid van haar zus na die operatie verandert en hoe zij wegkwijnt: het enige waar nog belangstelling voor bestaat zijn haar sigaretten en de afstandsbedienining van de TV. Voor haar familie, vrienden, huisdieren (paard en hond) kan zij na het N.A.H. geen interesse meer opbrengen. Van een geliefde flamboyante verschijning met een druk sociaal leven is het een uitgemergeld, kwijlend en eenzaam wezentje geworden dat wegens asociaal gedrag van het ene naar het andere revalidatiecentrum wordt doorgeschoven.

Haar familie blijft haar door de ogen van voor het N.A.H. zien en houdt hoop.

Zo gaan enkele jaren voorbij. Totdat op een dag:

“Ik zie het niet meer zitten”, zei ze.
“Wat bedoel je”, vroegen we.
“Ik wil niet meer”, vervolgde ze.
“Waarom niet”, vroegen we.
“Omdat ik nooit meer dezelfde zal zijn als vroeger”, zei ze.
Het gesprek hakte er diep in
We hadden alles van nabij meegemaakt, zeker, tot aan de fysieke achteruitgang toe.
Maar bewust een einde maken aan een leven, al dan niet zwaar geschonden, was toch nog een stap te ver.
Het onderwerp kwam niet meer ter sprake, alsof we het angstvallig vermeden

Totdat een mislukte zelfmoordpoging de familie goed door elkaar schudde. Toen begon de zoektocht naar een arts die de euthanasie wilde uitvoeren. Na het doorlopen van vele protocollen was het zover.

Net ervoor hadden we haar proberen te omhelzen, ze had nauwelijks opgekeken.
Maar toen de arts de spuit klaarmaakte, opende ze plots haar ogen en keek ons één voor één even heel bewust aan.
Een blik die tijdloos leek, dwars door merg en been ging en diep raakte.
Alsof ze zei: “Dank je dat ik mag gaan, dat jullie me eindelijk loslaten”.

Veel nabestaanden die bij de euthanasie van een dierbare aanwezig zijn geweest of die de euthanasie van een dierbare moeten regelen, zullen dit herkennen: de dankbaarheid van degene die aan het leven lijdt jegens de ander dat deze hem loslaat.
 
Ik moet nu gaan

Mieke Maerten is op latere leeftijd afgestudeerd in de wijsbegeerte en de moraalwetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Totdat zij met pensioen ging, heeft zij haar werk in de financiële sector met vrijwilligerswerk als moreel consulent gecombineerd. Na haar pensionering is het proces ingezet van het loslaten van haar 36- jarige zoon voor wie zij anderhalf jaar eerder de euthanasie had geregeld.

In een triptiek “ziekte, euthanasie, rouw” wordt achtereenvolgens ingezet met de mededeling van de zoon aan zijn moeder dat hij botkanker heeft, daarna het besef van de moeder dat zij niet langer kan vluchten voor de wens van haar zoon om euthanasie te krijgen, en tenslotte de sluier van rouw waarmee de moeder sinds de dood van haar zoon is omgeven.

Ontroerend, omfloerst en toch geheel ter zake maakt Mieke Maerten ons deelgenoot van het 124 pagina’s tellend gesprek dat ze als moeder met haar overleden zoon voert vanaf het moment dat hij haar vertelt dat hij ziek is:

Ik heb je al meerdere keren moe gezien, maar nu is het anders. Dus zeg ik ook meteen: “Je ziet er echt niet goed uit, ben je ziek?” … en plots: “Mama, ik heb slecht nieuws … ik heb botkanker.” […] “Ik wil geen plant worden voor wie alles moet gedaan worden. Als het te erg wordt, wil ik niet blijven leven mama.”

Wanneer al vrij kort daarna de periode aanbreekt dat alles voor hem gedaan moest worden, houdt zij zich, verankerd in haar rol als verzorger, voor dat zij zich niet mag onttrekken aan de verantwoordelijkheid die zij op zich genomen heeft om zijn ultieme wens in te laten willigen zodra hij kenbaar maakt dat de tijd ervoor gekomen is:

Ik moet zeggen, mijn zoon, dat ik in die periode nooit getwijfeld heb omtrent jouw keuze voor de dood. Je koos voor de dood nu het leven geen leven meer was. Vermits je door je lijf verhinderd werd om voor jezelf op te komen, zag ik het als mijn taak om jou te helpen. … ook met je euthanasievraag. Achteraf valt het voor mij soms niet te vatten dat ik als moeder zo’n vrij actieve rol speelde bij de aanbreng van deze vraag. Ach, er was geen andere weg voor jou jongen. Ik liet je het leven inglijden en nu was de tijd daar om je te helpen pijnloos uit dit leven te glijden.

Nadat het euthanasieverzoek rond was en de huisarts haar nog enkele praktische zaken opgedragen had om de euthanasie zo sereen mogelijk te laten verlopen:

Ik kan hem geruststellen en je euthanasie wordt op zaterdag 13/12 om 11 u gepland. Je bent duidelijk opgelucht, je kan weer gemakkelijker lachen, het is bijna voorbij.

En toen het voorbij was het schuldgevoel dat haar bekroop vanwege de rol die zij gespeeld had in het in vervulling laten gaan van zijn euthanasieverzoek en hoe zij zichzelf tegenover dat schuldgevoel verdedigde:

Nooit vraagt een kind geboren te worden want het wordt niet uit eigen verlangen geboren, maar uit het verlangen of de lust van anderen. Dat jij mijn zoon niets te zeggen had over je geboorte, wil niet zeggen dat ik als moeder niet verplicht ben om je bij te staan in de keuze het leven te verlaten.

Wat overbleef:

Ik schrijf en schrijf … laat mij schrijven mijn kind en bij jou verwijlen. […] Telkens weer rijst de vraag: “Moet ik jouw dood betreuren of moet het leven dat je had, gevierd worden?” Maar in de droefheid kan ik je bij mij houden, in de viering moet ik je fysiek volledig ‘loslaten’. Kan ik dit al? Neen, ik heb meer tijd, meer ruimte, meer stilte nodig en laat dat nu net die dingen zijn die zo moeilijk te vinden zijn, omdat de mallemolen van het leven verder draaien moet.

Het requisitoir van de OvJ in de zaak Catharina A.

Het OM dat aan Catharina A. moord ten laste legt, plaatst de rechtbank voor de vraag of inderdaad het wilsbekwame ik geen vergaand besluit mag nemen voor het wilsonbekwame ik. “Draai het eens om, zegt Wolbert (NVVE), je tekent een euthanasieverzoek als wilsbekwame ik en je wilsonbekwame ik kan dat teniet doen. Willen we dat dan?”

De OvJ kwam op maandag 26 september 2019 welbeslagen ten ijs in de strafzaak die geheel Nederland bezighoudt. Een bloemlezing uit zijn requisitoir.
 
Over de meer dan 200 artsen wier morele weerzin om het leven van een weerloos mens te beëindigen, te groot is

Die morele weerzin is hun goed recht, zij zijn niet verplicht om euthanasie uit te voeren, aldus de OvJ. Maar voor die morele weerzin vinden zij in de wet geen houvast, eveneens aldus de conclusie van de OvJ:

“Een arts mag dus euthanasie uitvoeren bij een patiënt die zijn eerder euthanasieverzoek niet meer kan bevestigen. Bijvoorbeeld bij een patiënt met vergevorderde dementie die niet meer in staat is om een doods- of levenswens te uiten.”
 
Over de visie dat de wilsverklaring van de patiënte van Catharina A. niet kraakhelder was

Gehakt wordt ook gemaakt van de door RTE en in de tuchtprocedure naar voren gebrachte visie dat de wilsverklaring van de patiënte van Catharina A. dubbelzinnig en voor meerderlei uitleg vatbaar was, hetgeen aan inwilliging van het euthanasieverzoek in de weg zou staan:

“In de dementieclausule en haar onderliggende euthanasieverzoek heeft patiënte aangegeven dat zij ‘beslist’ niet wilde worden opgenomen in een verpleeghuis. Daarover zijn haar verklaringen kristalhelder. Vanaf dat moment wilde zij in elk geval euthanasie. Dat duidelijke verzoek kan ik goed rijmen met haar wens om vóór die opname nog regie te houden over een eerder euthanasiemoment. Het liefst wilde zij eerder de euthanasie, wanneer zij nog ‘enigszins wilsbekwaam was’ en thuis afscheid kon nemen van haar dierbaren. Dat moment wilde zij dan zelf nog kunnen bepalen. Als die gelegenheid voorbij was en zij werd opgenomen in een verpleeghuis, was het voor haar duidelijk: dan wilde zij in elk geval euthanasie. Dat was voor haar – bot gezegd – een letterlijke deadline. Ik vind de verklaring dus niet dubbelzinnig.”
 
Over de ophef over het smoren van verzet bij de patiënte en de dormicum in haar koffie

Opnieuw gehakt:

“Naast verbale uitingen heeft patiënte ook nog fysieke reacties laten zien, tijdens de uitvoering van de euthanasie. Patiënte is omhoog gekomen en heeft gevloekt bij de injectie van het slaapmiddel; zij heeft terugtrekkende bewegingen gemaakt met beide amen en met haar ogen geknipperd bij het inbrengen van het infuus; zij heeft haar ellenbogen onder haar lichaam gebracht, zich omhoog gedrukt en haar ogen geopend tijdens de intraveneuze toediening van het euthanaticum. Anders dan de RTE meen ik dat de arts deze non-verbale reacties niet hoefde aan te merken als een mogelijke wilsuitdrukking. Volgens deskundige-anesthesioloog Knape waren dit reflexen. Op basis van haar jarenlange ervaring als specialist ouderenzorg in de gesloten zorg voor ouderen met dementie en psychiatrische stoornissen en als SCEN-arts mag deze kennis ook bij de arts worden aangenomen. Die reflexen hoefde zij dus niet uit te leggen als een tegengestelde wilsuitdrukking’
[…]
Met de deskundige en het Tuchtcollege ga ik uit van de medische norm dat de onaangename ingreep van euthanasie zo veilig en comfortabel mogelijk moet worden gemaakt voor de patiënt. Als ik er met de arts vanuit ga dat het euthanasieverzoek voldeed, volgde daaruit ook de instemming van de patiënte met een rustige en veilige uitvoering van die euthanasie in het verpleeghuis, op een door de arts te bepalen moment. Onder die omstandigheden zie ik, net als het Tuchtcollege, geen zinnige reden voor een nader gesprek met deze ernstig demente patiënte over het moment en de wijze waarop de euthanasie zou plaatsvinden. In dit geval zou zo’n gesprek alleen maar grotere angst en onrust hebben veroorzaakt dan waar zij al aan leed. Dat zou in strijd zijn met de medische norm én het verzoek van patiënte om haar leven op een menswaardige manier te beëindigen. Daarom vind ik de uitvoering van de euthanasie – nog steeds uitgaand van de oprechte overtuiging bij de arts van een deugdelijk euthanasieverzoek – medisch zorgvuldig.”
 
Desalniettemin moord als tenlastelegging

Waar is het tussen de patiënte en haar arts dan toch misgegaan?

Kort samengevat houdt dit in de visie van de OvJ verband met het gegeven dat in ons rechtsstelsel de beschermwaardigheid van het leven als hoogste goed geldt. Een patiënt met vergevorderde dementie die verbaal of non-verbaal tot uitdrukking brengt dat hij niet dood wil gaan, wordt door dit hoogste goed van ons rechtstelsel beschermd. Dat leidt ertoe dat aan een wilsonbekwame patiënt met een eerder schriftelijk euthanasieverzoek die nog wel verbaal of non verbaal kan communiceren, om bevestiging van dat euthanasieverzoek moet worden gevraagd, ook al is hij dan al wilsonbekwaam.

Een en ander wordt door de OvJ in verschillende stappen aldus beredeneerd:

“Moet de ene versie van dezelfde persoon tegen de andere versie van zichzelf worden beschermd? Is het laatste woord aan de persoon die bij volle verstand een schriftelijk verzoek heeft opgesteld of aan dezelfde persoon in latere, demente toestand?”
[…]
“Ook als iemand geen waarde meer hecht aan zijn eigen leven en aan een ander vraagt om het te beëindigen, verdient dat leven nog steeds bescherming. Zo redeneert de wetgever. Daarom is het strafbaar [om iemands leven op zijn verzoek te beëindigen].
In dezelfde zin verdient het leven van een wilsonbekwame patiënt nog steeds bescherming, als hij dat leven eerder – in wilsbekwame toestand – heeft opgezegd. Om afstand te doen van zijn recht op leven (door middel van het euthanasieverzoek), moet hij wilsbekwaam zijn. Voor een beroep op zijn recht op leven (of herroeping van zijn eerdere afstand van dat recht) geldt die eis niet. Dat recht komt elk mens, in welke mentale toestand dan ook, in dezelfde omvang toe. Als een demente patiënt een beroep doet op zijn recht op leven, moet die wens worden ingewilligd. Ongeacht het vermogen van de patiënt om de gevolgen van de herroeping van zijn eerdere euthanasieverzoek te overzien. Ongeacht de consequentie dat de patiënt daarmee zijn ondraaglijk lijden verlengt, zonder dat hij daar zelf erg in heeft.”
[…]
“Het systeem van de wet (‘strafbaarheid, tenzij’) en de strekking van de wet (euthanasie
als ultimum remedium) geven reden om doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de beschermwaardigheid van het leven: ook naar de wilsonbekwame levenswens moet geluisterd worden. Daaruit volgt de eis dat een arts actief het gesprek moet aangaan met een wilsonbekwame patiënt over zijn doods- of levenswens, zolang hij nog in staat is om die wens (verbaal of non-verbaal) kenbaar te maken. Bij wisselende uitingen van een doods- en levenswens komt meer gewicht toe aan de kenbaar gemaakte levenswens. Er moet sprake zijn van een consistente doodswens, die in lijn is met de schriftelijke wilsverklaring. Alleen dan kan de euthanasie worden uitgevoerd.”
[…]
“Zo kom ik tot de volgende conclusie.
De wilsonbekwame patiënt heeft het laatste woord. Zijn levenswens is doorslaggevend. Als de patiënt die wens (verbaal of non-verbaal) kenbaar maakt, mag er geen uitvoering worden gegeven aan zijn eerdere schriftelijke euthanasieverzoek.
Daaruit volgt een actieve onderzoekplicht van de arts.
Als de wilsonbekwame patiënt nog in staat is om (verbaal of non-verbaal) een wens kenbaar te maken over zijn dood of leven, zal de arts zelf in gesprek moeten gaan met de patiënt over zijn wens tot sterven of leven. Bij wisselende uitingen van een doods- en levenswens komt meer gewicht toe aan de kenbaar gemaakte levenswens. Voor euthanasie bij een communicerende wilsonbekwame patiënt moet sprake zijn van een consistente doodswens, in lijn met de schriftelijke wilsverklaring. “

Het standpunt van het OM luidt dus kort samengevat aldus dat als een patiënt met vergevorderde dementie niet consistent is in zijn doodswens doordat hij behalve veelvuldige doodswensen, ook signalen uitzendt die als levenswensen kunnen worden opgevat, de al dan niet zeldzame levenswensen hoe dan ook boven de veelvuldige doodswensen moeten prevaleren.
 
Stof tot nadenken voor de rechtbank die naar verwachting op 11 september 2019 om 13 u uitspraak doet.

Is het de wilsbekwame ik die tegen de wilsonbekwame ik beschermd moet worden of is het andersom, that is the question whether.

Het betoog van de OvJ laat maar weer eens overduidelijk zien dat er in ons rechtsstelsel tegenover het recht op leven een recht op sterven moet komen; dat een recht op leven een leeg omhulsel is als het leven lijden geworden is en de betrokkene de dood heeft verkozen om aan dat lijden te ontkomen.

De hoop is nu gevestigd op wijze rechters in de gelederen van achtereenvolgens rechtbank, gerechtshof en cassatiehof die het juridisch steekspel waartoe de wetgever van destijds aanleiding gegeven heeft, laten voor wat het is en zich concentreren op deze ene nuchtere vraag: Is de schriftelijke wilsverklaring in de wet gekomen om het wilsbekwame ik tegen het wilsonbekwame ik te beschermen of is het andersom?

Samen sterven

Ouderen overwegen steeds vaker om samen uit het leven te stappen. Bij de stervensbegeleider die zij daarvoor benaderen, vergt dit behoedzaamheid. Niet om te betuttelen maar om te voorkomen dat de een onder te ver gaande druk van de ander handelt.

Met het oog op de publicatie van de artikelen “Euthanasie onder het vergrootglas de wens om samen te sterven groeit” en “Ik wil geen examen doen om dood te gaan” heeft Henk van Ingen aan De Einder de vraag voorgelegd hoe wordt aangekeken tegen verzoeken om begeleiding bij duo-euthanasie, d.i. de wens van een partner om samen met zijn wederhelft met behulp van vreedzame middelen uit het leven te stappen.

Het antwoord is geweest dat onze eerste reactie er één is van grote behoedzaamheid omdat ons blijkt dat daar met regelmaat verzoeken tussen zitten waarbij er geen uitgebalanceerde wederzijdse afhankelijkheid is en een der partijen een druk op zijn wederhelft uitoefent waaraan die wederhelft moeilijk weerstand kan bieden. Veelal gaat het hier om onbedoelde druk die in een jarenlange relatie een vanzelfsprekendheid geworden is. Het koppel zelf is zich er niet meer van bewust dat één van hen om welke reden dan ook meer dan de ander zijn/haar invloed laat gelden, bijvoorbeeld omdat hij/zij zich veel duidelijker of gemakkelijker over de eigen wensen en behoeftes kan uitdrukken.

Soms blijkt meteen al uit de formulering van een van een koppel afkomstige hulpvraag dat er daarbij één persoon is die de lead heeft en de ander daar gehoor aan geeft zonder dat zijn of haar verlangens ook maar eenmaal boven tafel komen. Soms wordt gaandeweg een gesprek zichtbaar dat de rollenverdeling tijdens het huwelijk/partnership altijd al zo geweest is dat de een zich naar de ander schikt. Daar heeft De Einder geen oordeel over; dat is de manier waarvoor het koppel gekozen heeft zijn relatie vorm te geven. Maar soms gaat het ook te ver.

Zo gebeurde het een keer dat een dochter van een donerend echtpaar De Einder benaderde met het verzoek om naar haar ouders geen nieuwsbrieven meer te sturen omdat haar moeder haar vader gek maakt met een beroep op de afspraak die zij ooit gemaakt hebben om samen dood te gaan. “Mijn moeder wil niet verder, en als kinderen hebben we er vrede mee dat zij allebei over de middelen beschikken om er uit te stappen, maar mijn vader is nog lang niet uitgeleefd en we zien hem kapot gaan aan zijn moreel besef dat hij met haar mee moet gaan. Hij kan dat aanhoudend beroep van haar op hem niet aan, dus hij is dan ook kwaadschiks van plan om het te doen en dat is de schuld van al die right to die bewegingen”.

In gevallen waarbij van een dergelijke druk blijkt, zullen de consulenten van De Einder meer dan gebruikelijk bedacht zijn op (veelal) stilzwijgende signalen van een wederhelft die er op wijzen dat hij/zij t.a.v. zijn/haar partner om tegengas verlegen zit. Alsdan is het aan de consulent om hem/haar bij het geven van tegengas te steunen. Dat is geen betuttelen, maar getuigt van goed hulpverlenerschap.

Van een andere orde is de situatie waarbij een der partners in aanmerking komt voor euthanasie en de andere partner niet alleen wil achterblijven. Eveneens van een andere orde is de situatie waarin een der partners in aanmerking komt voor euthanasie en hij/zij de andere partner uit bezorgdheid niet alleen wil achterlaten.
De relevante vragen van de consulent zijn hier:
Waarom wil iemand niet alleen achterblijven, speelt hier anticipatie op het verlies en de rouw een rol?
Waarom wil iemand de ander niet alleen achterlaten, houdt dit verband met het besef dat de ander het alleen niet redt? – een situatie die zich regelmatig aandient bij terminale partners die als enige mantelzorger voor hun demente wederhelft zijn overgebleven.
Ook: zit de onevenwichtige afhankelijkheid al jarenlang in de relatie ingebakken en hebben beide partners daar vrede mee? Vóelt de achterblijvende partner zich alleen niet tegen het leven opgewassen of is hij/zij daadwerkelijk zonder zijn/haar partner niet tegen het leven alleen opgewassen, bijv. doordat de achterblijvende partner een toekomst van grote afhankelijkheid van “vreemden” voor zich ziet en dat niet wil meemaken?
Het helder krijgen van de overwegingen waarop de wens van het echtpaar is gebaseerd om samen te sterven, is essentieel in een weloverwogen keuzeproces en hoort tot de kerntaken van de consulent.

Wanneer een echtpaar met een gezamenlijke doodswens bij De Einder aanklopt, wordt het ook tot de taak van de consulent gerekend om vragen te stellen die met de achterblijvende kinderen en kleinkinderen verband houden. Die verliezen immers in een klap beide (groot)ouders waarbij daarbovenop speelt dat het om een welbewuste eigen keuze van die (groot)ouders gaat. Hoe vertalen zij dit signaal? Hoe zullen (klein)kinderen ermee omgaan dat hun (groot)ouders er opeens samen niet meer zijn? Welke boodschap voor het leven halen zij uit een dergelijke ingrijpende gebeurtenis?
Uiteraard zijn voor hen die achterblijven alle met de duo-euthanasie samenhangende omstandigheden van belang. Dat (groot)ouders die negentig jaar geworden zijn, uit het leven stappen, valt gemakkelijker te begrijpen dan wanneer het (groot)ouders betreft voor wie de pensioengerechtigde leeftijd nog maar kortgeleden is aangebroken. De ervaring wijst uit dat hierover het gesprek met een consulent aangaan, veelal uitmondt in een gesprek tussen (groot)ouders en (klein)kinderen waarbij wederzijds begrip ontstaat.

Wilsverklaring van een parkinsonpatiënt

Henk Blanken

In De Groene en in De Correspondent heeft Henk Blanken die als parkinsonpatiënt voor dementie vreest, zijn wilsverklaring opgetekend. Een aangrijpend verhaal waaruit de noodzaak van hulp door dierbaren bij zelfdoding blijkt.

Twee kerncitaten van Henk Blanken in De Groene en in De Correspondent om bij stil te staan.

“Ik wil niet te vroeg voor euthanasie moeten kiezen. Ik wil pas dood als ik niet meer wéét dat ik leef, als ik een schim ben geworden van de man die ik was, een morsige gek met wie ik alleen nog een fiscaal nummer deel. Daarom vraag ik mijn dokter mij te laten sterven – niet zo lang ik nog om euthanasie kan vragen, maar juist als ik dat niet meer kan. Niet vóórdat ik wilsonbekwaam word maar ómdat ik mijn verstand verloor. En ik hoop dat mijn lief – die ik daartoe nu machtig – zal beslissen wanneer ik er niet meer had willen zijn. Zij zal weten wanneer ze mijn arts moet vragen mij te laten gaan.”

“Wat menswaardig is, laat zich niet vaststellen met een stethoscoop. Of ik nog gelukkig ben als ik diepdement in een stoel hang, en af en toe huil, kan geen dokter bepalen, we mogen het niet eens van haar verwachten. Als ik zelf kan beschikken over mijn levenseinde, wil ik dat recht ook kunnen delegeren aan een naaste. Ik wil mijn lief kunnen vragen als mijn vertegenwoordiger het moment te kiezen waarop ik had willen sterven. Dat doet zij nu ook al wanneer ze een arts verbiedt mij nog verder te behandelen – dat hebben we al wel bij wet geregeld.”

Denk erover na. Reageer erop. Stuur een mail naar info@henkblanken.nl

De opmars van de zelfredzame burger

Goed beargumenteerd laat Adjiedj Bakas zien dat het medische, politieke en juridische debat over (zelf)euthanasie bij voltooid leven tien jaar achter op de feiten loopt. De zelfredzame burger van nu laat zich niet meer door de medische stand of de politiek of het OM voorschrijven wat hij met (het eind van) zijn leven aan moet.

De Einder kan bevestigen wat Adjiedj Bakas in zijn boek ‘Ziel in de Zorg’ en in zijn column schrijft, namelijk dat steeds meer hulpvragers hun levenseinde in eigen hand nemen en niet meer accepteren dat de zeggenschap daarover in andere handen dan deze van de betrokkene wordt gelegd.

De Pil van Drion koopt de burger straks gewoon in webshop AliExpress om daarna vrolijk te gaan hemelen. De regelgeving op het gebied van euthanasie en (hulp bij) (zelf)euthanasie is derhalve achterhaald. Zij behoeft een grondige revisie die met de zich veranderende tijdsgeest rekening houdt en daarop sneller inspeelt.

Niet dat daarom aan de euthanasiewet hoeft te worden getornd: die is er voor al diegenen die niet in staat zijn zelf hun leven te beëindigen en die daartoe een beroep op een arts willen of moeten doen.

Al diegenen evenwel die het zelf, zonder van de hulp van een ander afhankelijk te zijn, kunnen of willen doen, zijn gebaat bij een wet waarin stervensbegeleiding aldus wordt geregeld dat de stervensbegeleider bij wie (voorlichting over en begeleiding bij het innemen van) een betrouwbaar en vreedzaam dodelijk middel kan worden verkregen, niet mag weigeren aan het verzoek van de aanvrager gevolg te geven tenzij om zwaarwegende redenen.

Als zwaarwegende redenen daarbij kunnen slechts gelden (i) dat de aanvrager (nog) niet alle consequenties van zijn zelfdoding overziet (hij/zij zou tot een ander besluit zijn gekomen als het totaalplaatje in kaart zou zijn gebracht) en/of (ii) dat met zijn/haar zelfdoding onevenredige schade aan nabestaanden wordt toegebracht.

Meer dan aan deze twee voorwaarden toetsen, mag een bij wet geregelde stervensbegeleider niet doen. Zodra aan die twee voorwaarden is voldaan, is hij wettelijk verplicht om de doodswens van de aanvrager te honoreren.

www.bakas.nl

Gedachten bij de zelfdoding van Huib

Een drietal beschouwingen In Memoriam bij ‘De oproep van een zelfmoordenaar’ zoals Huib die heeft opgetekend in het Manifest dat hij na zijn zelfdoding bekend wilde laten maken, van de hand van de consulent die hem begeleid heeft, de waarnemend casemanager van De Einder die hij als eerste aangeschreven heeft en de ooggetuige die hem in zijn laatste uren tot steun is geweest.

Machteloosheid

Hoewel ik, vooral door het oog in oog contact dat ik met Huib heb gehad, ervan doordrongen ben dat hij de juiste beslissing genomen heeft, springen mij toch weer de tranen in de ogen als ik zijn Manifest lees. Ik vraag me af “waarom tranen?” en realiseer me dat het tranen van machteloosheid zijn.

Net als de andere consulenten van De Einder beleef ik het altijd als verdrietig als iemand die zijn intiemste gedachten met mij deelt, zijn of haar leven beëindigt. Door die intieme gedachten word je geconfronteerd met de ambivalentie en angst die denk ik ieder mens kent die zelfgekozen, dus “vrijwillig”, het leven achter zich wil laten en dat voel ik als verdrietig.

Mijn gevoel van machteloosheid botst met het woordje “vrijwillig”: wat is er vrijwillig aan een dood die gekozen wordt om aan lijden te ontkomen?

En terwijl ik mij die vraag stel, valt mij op dat als het lijden verband houdt met lichamelijke pijn waar geen remedie voor is, ik veel minder door machteloosheid wordt overvallen: als mens weten we dat ons lichaam eindig is en kunnen we maar hopen dat die eindigheid niet met al te veel ellende gepaard gaat; wanneer dat wel zo is, dan aanvaarden we dat aan die lichamelijke pijn een halt wordt toegeroepen door iemand vredig te laten inslapen.

Iemand geestelijk pijn zien lijden, maakt mij opstandig: ik wil diep van binnen niet geloven dat daar geen remedie voor is. Het probleem bij geestelijk lijden is dat het voor anderen vaak veel moeilijker te begrijpen valt en dat het voor diegene die er onder lijdt veel moeilijker te voorspellen is of het lijden ooit ophoudt. Deel van de pijn is het gevoel dat het lijden nooit zal ophouden.

Wanneer je als consulent geconfronteerd wordt met iemand die geestelijk lijdt en die eigenlijk alleen maar dood wil omdat de dood als enige weg wordt gezien om aan de pijn te ontsnappen, dan voel je je buitengewoon machteloos. Hulp bij geestelijke pijn vraagt geduld, liefdevol begrip en acceptatie. In mijn gesprekken met Huib heeft hij mij verteld hoezeer hij dat heeft gemist.

Mijn oog valt in dat verband op wat er daarover in Huib’s Manifest te lezen valt: “Feit is dat koestering, onvoorwaardelijke acceptatie en liefdevol begrip niet te koop zijn en een psychiatrische behandeling – of wat voor andere aanpak ook die deze drie ingrediënten mist – kan aan deze lacune niets verhelpen”.

In het intakegesprek dat we hebben gevoerd, heeft Huib dit aldus toegelicht dat hij zelf psychiater en psychotherapeut is geweest en dus weet waar als psychiater en psychotherapeut zijn grenzen – in zijn woorden: “zijn echte beperkingen” – lagen.

Vooral machteloos voelde Huib zich bij mensen die niemand hebben tegenover wie zij hun lijden kunnen uiten of bij mensen die zich in hun lijden niet begrepen voelen, zoals Huib zich lang niet begrepen heeft gevoeld; die niet durven te praten over hun doodsgedachten zoals Huib daarover niet durfde te praten; die van hulpverlener naar hulpverlener zwerven zoals ook Huib vele hulpverleners in zijn leven gekend heeft die zijn geestelijke pijn miskenden.

Het is het telkens weer horen van deze verhalen in gesprekken over de zelfgekozen, “vrijwillige” dood wat mij en mijn collega consulenten machteloos en verdrietig maakt. Zoals het Huib machteloos en verdrietig maakte tot hij uiteindelijk besloot dat het woord zijn macht was.

Consulent van De Einder die aan Huib de informatie gegeven heeft waar hij om vroeg
 

Loslaten

Oog in oog contact heb ik met Huib niet gehad maar wel las ik – bij afwezigheid van de casemanager – als eerste de brief die Huib naar De Einder schreef. Vanaf dat moment tot enkele uren voor zijn dood, hebben we een intensieve emailwisseling onderhouden, lange telefoongesprekken gevoerd en zelfs via whatsapp gegrapjast.

Ook ik voel tranen bij zijn heengaan. Niet omdat hij, vanwege zijn uitdrukkingsvaardigheid, meer in het oog sprong dan andere hulpvragers: tragiek valt immers niet te wegen en is bij alle hulpvragers even groot.

Waarom dan wel?

Omdat De Einder hem niet kan geven waaraan het hem ontbeert: “koestering, onvoorwaardelijke acceptatie en liefdevol begrip”. Die ingrediënten, zo legde hij mij uit, had hij “vierentwintig uur op vierentwintig uur nodig en zoiets valt niet op te brengen voor iemand die geen eeuwige trouw kan beloven”.

Huib vroeg mij om dat over te brengen aan Jan Mokkenstorm, de oprichter van 113 Zelfmoordpreventie, hetgeen ik heb gedaan. Jan Mokkenstorm legde uit dat hij niet in alle gevallen tegen euthanasie is en dat zijn stichting er is om iemand niet radeloos en eenzaam door zelfmoord te laten sterven.

Toen ik dat aan Huib overbracht, was zijn reactie: “Dan past het om op een gegeven moment iemand te laten gaan. Stem er mee in en sta toe dat hij/zij zich van het leven beneemt want dat loslaten, die toestemming om heen te gaan, is voor de betrokkene goud waard”.

Waarnemend casemanager van De Einder
 

Ik laat je gaan

Ik was erbij toen Huib heenging. We hadden om 19u afgesproken maar Huib, die wist dat ik de hele dag had vrijgehouden, wilde zo lang niet wachten en toen ben ik om 15u naar hem toegegaan. Huib was klaar met leven en wilde niet te lang meer talmen met het innemen van het drankje.

Wat ik voor hem heb kunnen doen, geeft mij een goed gevoel. Onze vriendschap dateert van ruim twintig jaar geleden. Toen al was hij in een heftige strijd verwikkeld om overeind te blijven. Hij heeft van alles geprobeerd om eruit te komen. Als arts kon hij zichzelf medicatie voorschrijven en alle nieuwe medicijnen die op de markt kwamen, probeerde hij uit. Uiteindelijk de elektroshocks. Maar ook die werkten niet, terwijl hij er wel vanuit was gegaan dat zij hem uit zijn lethargie zouden halen. Na de elektroshocks was het voor hem genoeg. Van dan af is hij gaan onderzoeken hoe hij eruit kon stappen.

Maar heel lang is hij strijdvaardig geweest. Hoewel hij toch wel erg onthecht was. Liefde, vreugde, al die dingen die een normaal mens in de maatschappij ervaart, waren niet voor hem weggelegd. Hij bedacht van alles dat hem van zijn eenzaamheid af zou kunnen leiden, bouwde een grote vriendenkring rondom hem op en ontving veel bezoek, maar zodra dat weer weg was, kwam het zwarte gat en op een gegeven moment sta je helemaal buiten de samenleving.

Ik heb hem gezegd dat ik het verstond; dat, als je alles hebt geprobeerd, het een keer ophoudt. Daarvoor was hij mij zichtbaar dankbaar. Hij dacht over veel dingen heel diep na, een ontzettende zelfreflectie en nooit in een opwelling iets zeggen of doen dat hij niet eerst vanaf alle kanten had bekeken. Zijn overwegingen om er een eind aan te maken, daar kon ik geen speld tussen krijgen.

Huib hechtte er erg aan dat ik hem begreep. En dat anderen hem begrepen, dat mensen die van hem hielden, achter zijn besluit stonden. Hun erkenning dat hij het juiste besluit genomen had, luchtte hem op. Hij was naar hun toestemming op zoek. En zijn prestatie was dat hij die heeft gekregen.

Ik heb zelf een depressieve periode doorstaan maar ik slaagde er niet in om over te brengen hoe ik ervoor stond. Huib daarentegen kon met woorden de vinger op de zere plek leggen. En uitleggen dat als datgene wat voor hem hoogstnoodzakelijk is, niet voorhanden is en de perspectieven gering zijn dat het ooit voor hem voorhanden zal komen, anderen niet van hem mogen vergen dat hij hun comfortzone respecteert en voornamelijk om die reden geacht wordt eindeloos door te modderen.

Ooggetuige