Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn

Wat valt op in de conclusies van het onderzoek dat het ministerie van VWZ heeft laten uitvoeren naar de grootte van de groep van mensen die buiten het toepassingsbereik van de euthanasiewet valt omdat aan hun doodswens geen of te gering medisch lijden ten grondslag ligt?

Minister de Jonge heeft n.a.v. de conclusies van de commissie Schnabel verder onderzoek gelast naar de problematiek van ouderen die hun leven voltooid achten. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden onder leiding van Els van Wijngaarden en heeft geresulteerd in een rapport genaamd ‘Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn’ dat op 30 januari 2020 is verschenen.

Bij een niet geringe groep ouderen met een doodswens bestaat die wens vaak al een leven lang

Wat blijkt is dat bij een niet geringe groep ouderen de doodswens niet aan hun leeftijd gerelateerd is maar al veel langer bestaat. Daaromtrent wordt in het rapport het volgende opgemerkt: “Op basis van de data uit de vragenlijst valt niet te verklaren waar deze doodswens vandaan kwam, maar een eerdere kwalitatieve studie vond een verband met traumatische jeugdervaringen (Rurup, Pasman, et al., 2011). Deze bevinding lijkt haaks te staan op de gedachte dat de doodswens op hogere leeftijd ontstaat omdat het leven dan als ‘voltooid’ wordt beschouwd.”

Een vraag die hier op haar plaats is, is of er aan een doodswens die reeds uit de kinderjaren dateert altijd een trauma – of te wel lijden – ten grondslag moet liggen. Inderdaad kunnen traumatische jeugdervaringen tot een doodswens leiden maar niet iedere doodswens is gebaseerd op traumatische ervaringen. Kan een eenvoudige (deel-)verklaring niet zijn dat de ene mens met meer vitaliteit en levenskracht de wereld wordt ingeworpen dan de andere? Of is het een gekke gedachte dat er kinderen ter wereld komen waarvan het energielevel niet hoog genoeg is om de uitdagingen aan te gaan waarmee het leven hen confronteert? Simpelweg een vraag van geboren zijn met een volle of met een haperende dan wel een lege accu?

Beschikken over een zelfdodingsmiddel is de meest gekozen behoefte bij mensen met een doodswens

De cijfers in het rapport wijzen uit dat bij mensen met een doodswens hun grootste behoefte er niet in ligt dat een dokter of een levenseindeconsulent of een naaste hen helpt maar dat ze zelf over een zelfdodingsmiddel kunnen beschikken.

Inderdaad is niet verwonderlijk dat autonomie de meest nijpende behoefte is, maar daar valt wel als kanttekening bij te plaatsen dat mensen in hun wens om autonoom over hun dood te beslissen node een gesprekspartner missen om hun doodswens mee te delen. Opvallend is dat veel mensen die van plan zijn de laatste stap in hun leven er een van zelfdoding te laten zijn, nog altijd uit blijken te zijn op wederkerigheid. Diegenen die uiteindelijk hun doodswens met iemand bespreken, gaat het er in diepste wezen om dat zij zich door hun gesprekspartner begrepen weten en – liefst nog – dat deze er op de een of andere manier mee instemt.

Hoe omgaan met het sociaal taboe om een doodswens bespreekbaar te maken?

In het rapport valt te lezen: “Veel respondenten verlangden naar een wettelijke regeling, wat voor hen zou betekenen dat de doodswens beschouwd wordt als ‘iets gewoons’, ‘begrijpelijk’ of ‘gerechtvaardigd’. Ze ervoeren echter ook een sociaal taboe om te praten over hun doodswens en voelden zich in de steek gelaten door de maatschappij en regering (van Wijngaarden, Leget, & Goossensen, 2016).“.

De hiervoor geciteerde bevindingen sporen met de bevindingen van veel levenseindebegeleiders. Kunnen praten over de doodswens en daarin tegemoet gekomen worden met een reddingsmiddel in de vorm van een handleiding om een vreedzame dood te bewerkstelligen, geeft zoveel lucht dat de doodsobsessie regelmatig naar de achtergrond verdwijnt om in veel gevallen in een natuurlijke dood te eindigen.

De oplossing ligt dan ook voor de hand:

Zorg voor een aanbod van levenseindeconsulenten die als gesprekspartner kwalificeren en erken het recht op sterven. Onder ‘recht op sterven’ moet worden verstaan: het recht waarbij iemand met een doodswens die de gevolgen van het uitvoeren van die wens helemaal overziet en in het kader van de uitvoering met de gerechtvaardigde belangen van direct betrokkenen rekening houdt, toegang heeft tot een veilig en betrouwbaar middel dat een vreedzame zelfgekozen dood tot gevolg heeft of dat hij beroep op iemand kan doen die in zijn wens om vreedzaam te sterven, wil bewilligen.

De gesprekspartner over de dood

Onlangs heeft het Humanistisch Verbond De Einder als ‘de gesprekspartner over de dood’ in de schijnwerpers gezet. Geen vereiste is dat voor een gesprek een actieve doodswens moet bestaan. “De Einder, uniek in de wereld, helpt mensen met een doodswens. Niet alleen met voorlichting, maar ook met morele begeleiding. “Vaak ervaren mensen geen ruimte om over hun doodswens te praten. Wij zijn die gesprekspartner.”.

Ga naar de website van het Humanistisch Verbond om het interview met De Einder te lezen. En neem ook kennis van de andere artikelen op die website die vrijheid om over de eigen dood te beslissen, bepleiten.

Vrijheid om over de eigen dood te beslissen is een groot goed. Over de eigen dood beslissen kan en mag alleen de betrokkene, uitzonderingssituaties daargelaten. Steeds behoort het zelfbeschikkingsrecht voorop te staan. Niet genoeg kan het belang van een gesprekspartner daarbij benadrukt worden, niet om te sturen of ‘mee te beslissen’ maar om tot helderheid en uitkristallisatie van alle facetten te komen. Doodgaan doe je alleen maar eenzaam doodgaan valt te voorkomen door je van wederkerigheid verzekerd te weten.

De koffie-euthanasie: aan het woord is de Procureur-Generaal

Na de rechtbank Den Haag op 11 september 2017 is op 17 december 2019 de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat de arts die aan Catharina A. euthanasie heeft verleend, voldaan heeft aan de door de euthanasiewet voorgeschreven zorgvuldigheidseisen en dat de instanties die zich eerder over deze zaak gebogen hebben, t.w. de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie, het Regionaal Medisch tuchtcollege en het Centraal Medisch Tuchtcollege, tot een onjuiste beoordeling zijn gekomen.

Ruime beoordelingsvrijheid voor artsen en beperkte inzetbaarheid van het strafrecht
Een opsteker voor artsen zijn de beide uitvoerige conclusies van de Procureur-Generaal zeker. Voor artsen van groot belang is het allesoverkoepelend oordeel van de PG dat aan de arts een zeer ruime beoordelingsvrijheid toekomt wat betreft de vraag of aan de zwaarstwegende zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat een en ander door de rechter uitsluitend marginaal getoetst mag worden. Het strafrecht is daarbij slechts beperkt inzetbaar en mag pas een rol in geval van manifest laakbaar handelen van de arts spelen.

“De toetsingscommissie en het Centraal Tuchtcollege hebben onvoldoende de door de wetgever aan de arts gegunde medisch-professionele beoordelingsruimte gerespecteerd’, aldus de PG.

Waar het gaat om de vraag “of het in een specifiek geval zin heeft om te trachten om met de wilsonbekwame patiënt te praten over het moment en de wijze waarop de euthanasie wordt uitgevoerd, is [zijns] inziens – evenals de vraag of het zin heeft om te trachten te communiceren over het voornemen tot uitvoering van de euthanasie – een vraag die door de arts zal moeten worden beantwoord. Indien de arts, zoals in dit geval, tot de conclusie komt dat communicatie met de patiënt achterwege kan blijven omdat zinnige communicatie niet mogelijk is en een poging daartoe belastend is voor de patiënt omdat het mogelijk onrust, agitatie of agressie kan veroorzaken, moet dit medisch-professionele oordeel van de arts in beginsel worden gerespecteerd en daarom slechts op redelijkheid worden getoetst.”.

Handreiking door de Hoge Raad wenselijk in het licht van de commotie onder artsen
De ruim 230 pagina’s zijn geschreven vanuit de visie dat artsen na alle commotie die onder meer in de hand gewerkt is door de actie niet stiekem bij euthanasie, behoefte hebben aan een handreiking door de Hoge Raad. De visie van de PG over hoe die handreiking zou moeten komen te luiden, is helder:

“Patiënten hoeven niet weerloos opgesloten te raken in uitzichtloos lijden omdat de wet wel ruimte biedt om uitvoering te geven aan een schriftelijk euthanasieverzoek als betekenisvolle communicatie tussen patiënt en arts niet meer mogelijk is. De bevestiging daarvan door de Hoge Raad is wenselijk.”

Over (de consequenties die het OM heeft vastgeknoopt aan) de actie ‘Niet Stiekem bij Euthanasie’ schrijft de PG, zonder vermelding van voetnoten, als volgt:

“In de publiciteit is van de zijde van het College van procureurs-generaal aangegeven dat de in een dagbladadvertentie geuite zorg over euthanasie op gevorderd demente patiënten door een groep artsen die zich verzamelde onder de benaming ‘niet stiekem bij dementie’ een belangrijke drijfveer was. Dat een initiatief van bezorgde artsen onder dit vaandel werd gestoken, vind ik ongelukkig. In het licht van de vele beslissingen van de toetsingscommissies, de ruime transparantie van artsen bij gemeld opzettelijk levensbeëindigend handelen en de overwegingen voor gemaakte keuzes van artsen die daaruit blijken, is de associatie van stiekem handelen misplaatst. Of er reden is al of niet te proberen met een diep demente patiënt over levensbeëindiging te communiceren, is een ernstige vraag die weging van serieuze argumenten betreft. Wantrouwen is gemakkelijk gevoed, terwijl met de op feiten gegronde waardering voor de met toewijding gegeven zorg en de ethische betrokkenheid van de artsen bij de keuze van een patiënt voor een waardig levenseinde en de bereidheid daarbij toetsbaar te handelen, publicitair minder gemakkelijk positieve aandacht wordt verkregen.”

Is een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid wenselijk?
Aangaande de nieuwe wind die sinds 2017 bij het OM is gaan waaien, betwijfelt de PG of het wenselijk is om een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid te kiezen (citaat zonder voetnoten):

“De OM Aanwijzing draagt de kiem in zich van een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid dat enigszins in contrast staat met de bedoeling van de wetgever, waarin niet de normvorming in de euthanasiepraktijk als motief voor strafrechtelijk optreden voorop is gesteld, maar wel de omstandigheid van laakbaar strafwaardig handelen. […] Het OM is bevoegd om voor een actiever opsporings- en vervolgingsbeleid te kiezen, maar of dat wenselijk is en ook volgt uit het doel van de wet, is een ander punt. Bij de toetsing van medisch handelen moet het vooral gaan om de bewaking en bevordering van goede zorg door normering van de euthanasiepraktijk. Daarvoor dient het strafrecht niet.”.

Integer handelende artsen zijn geen moordenaars
Over de kwalificatie van moord waartoe het OM gekomen is, valt (zonder vermelding van voetnoten) het volgende te lezen:
“Er is in de visie van het openbaar ministerie in dat geval een moord gepleegd. De redenering van het openbaar ministerie jaagt ongetwijfeld schrik aan bij artsen. Ik begrijp goed dat de rechtbank daar in een bijzondere overweging op in is gegaan.
[…]
De rechtbank komt niet toe aan toetsing van de vraag of indien er sprake is van enig tekortschieten van de arts bij een wel geboden verificatie van de actuele doodswens, het onvermijdelijk gevolg is dat dan ook geen sprake kan zijn van vaststelling van een ‘uitdrukkelijk en ernstig verlangen’ als bedoeld in art. 293 lid 1 Sr. Het openbaar ministerie beantwoordt die vraag bevestigend. Uw Raad zou afstand kunnen nemen van de daaraan ten grondslag liggende redenering, opdat integer handelende artsen de zekerheid hebben niet onverhoeds bloot te zullen staan aan het verwijt moordenaar te zijn als zij beoordelen welke vereisten in acht moeten worden genomen bij de verlening van euthanasie.
[…]
Er is in de visie van het OM in dat geval een moord zijn gepleegd. Deze redenering van het OM jaagt ongetwijfeld schrik aan bij artsen. Door het handelen van de arts als moord aan te merken wordt de “Typizität” van het handelen van de arts en de bedoeling van de wetgever naar mijn mening miskend. De redenering van het openbaar ministerie houdt ook overigens geen stand. De wetgever heeft verlening van euthanasie op verzoek aan een patiënt door de arts willen toestaan, mits de arts zich daarbij aan een aantal zorgvuldigheidsvoorschriften houdt. Bij niet naleving van die zorgvuldigheidsvoorschriften vervalt de straffeloosheid en kan veroordeling volgen wegens een strafbare vorm van euthanasie.”

Is de vrees gerechtvaardigd dat de schriftelijke wilsverklaring een weerloos mens tot speelbal van zijn wilsverklaring maakt?
Ook tempert de PG de angst die er bij sommigen leeft ten aanzien van de reikwijdte van een euthanasieverklaring. Dat een wilsonbekwaam iemand zijn euthanasieverklaring niet kan herroepen, betekent niet dat een weerloos mens aan zijn eerdere wilsverklaring zou kunnen worden opgehangen: ook op een weerloos mens is onverkort de voorwaarde van kracht dat hij ondraaglijk en uitzichtloos moet lijden om voor euthanasie in aanmerking te komen. Zie de citaten hieronder (zonder voetnoten):

“Voor het geval mensen door een incident, een stapeling van ouderdomskwalen of andere ziekte hun vermogen autonoom te beslissen kunnen verliezen, is door de wetgever voorzien in een alternatief. Het schriftelijk euthanasieverzoek dat in de plaats kan treden van de actuele wilsuiting, is gebaseerd op wat in de literatuur wel ‘precedent autonomy’ wordt genoemd. Dat concept gaat uit van een continuïteit van de persoon, waarbij de te respecteren zelfbeschikking wordt gelegd bij de persoon in een fase waarin deze aangaande het onderwerp van de verklaring nog wilsbekwaam was. De ‘former self’ waakt over de belangen van de ‘current self’. Op die wijze kunnen mensen hun ‘critical interests’, hun identiteit en de levensgeschiedenis die zij wensen, zo goed mogelijk vormgeven. Ook kan langs die weg door een persoon voorkomen worden zonder uitweg te belanden in een situatie van voorzienbaar uitzichtloos lijden. […] De persoon met verminderde vermogens blijft een zelfstandig mens die, los van wie de persoon ooit was, recht heeft op bescherming. Er kan een spanning optreden tussen een voorafgaande schriftelijke zelfbeschikking en de uit actuele beoordeling op te maken belangen van een persoon. De wettelijke voorwaarde van ondraaglijk en uitzichtloos lijden staat eraan in de weg dat op de mens die in een weerloze toestand is geraakt, geen acht geslagen zou worden.
[…]
Het openbaar ministerie meent dat wanneer wilsonbekwamen fysiek nog wel kunnen communiceren, een door hen geuite levenswens boven het schriftelijke euthanasieverzoek gaat. Een wilsonbekwaam persoon kan volgens het openbaar ministerie altijd een eerder euthanasieverzoek herroepen. Het openbaar ministerie vindt hiervoor aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis […].
De Minister heeft aangegeven dat de meest actuele uiting van de patiënt geldt. Gelet op hetgeen in de Nota naar aanleiding van het verslag wordt vermeld, kan worden aangenomen dat dit slechts betekenis heeft wanneer de patiënt nog in staat is tot een coherente wilsuiting. Als daar helemaal geen sprake van is zijn de uitingen geen zinvolle bron voor de verificatie van een schriftelijk verzoek. Hoewel in de wetsgeschiedenis wel aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt dat van de arts in beginsel verwacht wordt dat hij zal trachten te informeren naar de actuele wens van de wilsonbekwame patiënt, is van een plicht geen sprake geweest. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de arts, indien de patiënt niet meer tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, de vereiste overtuiging dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan moet krijgen op basis van zijn eigen beoordeling van het medische dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met andere hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten. Van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek zal hij overtuigd kunnen zijn indien zijn bevindingen geen aanleiding geven om het tegendeel aan te nemen. De vraag of het in een specifiek geval zin heeft om te trachten om de actuele euthanasiewens bij de daartoe wilsonbekwame patiënt te verifiëren, is een vraag die door de arts, zoveel mogelijk met inachtneming van zijn professionele inzicht zal moeten worden beantwoord. Het is aan de arts om te bepalen hoe hij in de concrete situatie van de patiënt het best kan achterhalen wat de wens van de patiënt is. Indien een arts tot de conclusie komt dat communicatie met de patiënt achterwege kan blijven omdat zinnige communicatie niet mogelijk is en een poging daartoe te belastend is voor de patiënt, moet dit medisch-professionele oordeel van de arts in beginsel worden gerespecteerd door de strafrechter. Hetzelfde geldt voor de vraag of tegenstrijdige uitlatingen van de wilsonbekwame patiënt omtrent zijn stervenswens in het specifieke geval als contra-indicatie moet worden beschouwd. Blijkens de EuthanasieCode 2018 toetst de toetsingscommissie bij de zorgvuldigheidseisen genoemd in art. 2 lid 1 aanhef en sub a, b en d Wtl marginaal. Een dergelijke marginale toetsing dient ook de tuchtrechter aan te leggen.”

Tot zover de bloemlezing uit beide doorwrochte en lezenswaardige conclusies van de PG die via de links hieronder integraal te lezen zijn. Aan zet is thans de Hoge Raad. Zijn oordeel wordt komend voorjaar 2020 verwacht.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:1338
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:1339

Mijn dood is niet van mij

Met zijn actie ‘Mijn dood is niet van mij’ beoogt Henk Blanken te bewerkstelligen dat meer artsen bereid zijn gevolg te geven aan de doodswens van een diepdemente patiënt. Die actie heeft ruim 13.000 steunbetuigingen opgeleverd en de hoop is nu gevestigd op de politiek opdat er voor de ‘achterblijversclausule’ een wettelijke basis komt.

In zijn beide boeken ‘Je gaat er niet dood aan’ en ‘Beginnen over het einde’ schildert Henk Blanken met indringende pennenstreken de dramatiek van een patiënt waarvoor het vooruitzicht geldt dat wanneer hij het tot vergevorderde dementie laat komen, zijn euthanasiewens door geen arts meer in behandeling zal worden genomen . In zijn Manifest ‘Mijn dood is niet van mij’ roept hij op tot actie om deze dramatiek te keren.

Ingevolge de euthanasiewet zoals die in België geldt, is euthanasie bij een diepdemente patiënt niet mogelijk. Om voor euthanasie in aanmerking te komen, mag de patiënt de fase van de beginnende dementie waarin er nog van wilsbekwaamheid sprake is, niet hebben overschreden. Voor wie precies wil weten hoe in België euthanasie bij vergevorderde dementie geregeld is, is er van de hand van Wim Distelmans het handig dunne naslagwerk ‘Voor ik het vergeet’ dat onlangs is verschenen.

Ingevolge de euthanasiewet zoals die in Nederland geldt, komt in beginsel ook een patiënt met vergevorderde dementie voor euthanasie in aanmerking, dus zelfs als er van geen wilsbekwaamheid meer sprake is, kan die patiënt euthanasie krijgen, doch slechts weinig artsen zijn bereid om iemand die niet meer kan bevestigen dat hij dood wil gaan, inderdaad het verlangde dodelijke spuitje te geven.

Met zijn actie ‘Mijn dood is niet van mij’ beoogt Henk Blanken te bewerkstelligen dat meer artsen bereid zijn gevolg te geven aan de doodswens van een diepdemente patiënt. De oplossing die hij in dat verband aanreikt, noemt hij ‘de achterblijversclausule’. Deze houdt in dat op basis van een door de patiënt opgestelde kraakheldere wilsverklaring een door de patiënt aangewezen liefhebbende naaste uit naam van de patiënt het moment kan kiezen voor euthanasie. Alsof de patiënt het zelf nog vraagt. Want: ‘Als een arts het niet alleen hoeft te doen, maar zich ook kan beroepen op de wens van een naaste met een volmacht, zullen meer artsen willen helpen.’.

In samenwerking met het Humanistisch Verbond werd aan het Manifest verspreiding gegeven. Dat heeft geleid tot meer dan 13.000 steunbetuigingen. Deze werden op 17 december 2019 aan de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid aangeboden. De hoop is nu gevestigd op de politiek om aan de ‘achterblijversclausule’ een wettelijke basis te geven.

Levenseindeverhalen

Voor wie deelgenoot wil worden van de verhalen van hulpvragers die zich tot De Einder hebben gewend, is er onze rubriek Levenseindeverhalen met daarin het verslag van Lotte over de hulp die zij haar buurman Johan geboden heeft en het verslag van Louise over haar ervaringen met een consulent van De Einder

Johan was een Nederlandse alleenstaande man die een jaar of 15 geleden voor zijn werk naar Suriname was verhuisd. Hij was net 69 geworden, toen in oktober 2017 darmkanker bij hem werd gediagnosticeerd. Johan had dat als dertiger al eens eerder meegemaakt en dat wilde hij nu niet nog eens meemaken, dus hij besloot om, wat er ook mocht gebeuren, aan kwaliteit van leven voorrang te geven en zich niet in een medisch circuit van ziekenhuis in ziekenhuis uit te laten katapulteren. Dat ging goed totdat In september 2018 het noodlot toesloeg. In Het verhaal van Johan doet Lotte (zijn Surinaamse buurvrouw – naam gefingeerd) verslag van haar zoektocht om hem te helpen.

Nadenken over en plannen van een humane dood in eigen regie is één maar vervolgens daadwerkelijk de stap zetten om daarvoor een levenseindebegeleider te benaderen, is twee: de zelfdoding komt dan wel heel dichtbij. Toch versnelt het contact met een consulent van De Einder de zelfdoding niet, integendeel voorkomt het dat overhaast te werk wordt gegaan, zo valt te lezen in De ervaringen van een consulent met De Einder, zoals die door Louise werden beschreven.

Waarschuwing voor fake euthanatica

Veelvuldig komt het voor dat teleurgestelde bestellers van beweerdelijke euthanatica – veelal ten einde raad en ten langen leste – De Einder benaderen. Voorkom oplichting.

Soms tot meerdere malen aan toe bleken deze hulpvragers te zijn afgezet door distributeurs met websites die betrouwbaar leken maar die in werkelijkheid ofwel met de levering in gebreke bleven ofwel een nepproduct leverden. Voorkom het in zee gaan met scammers door u van te voren goed te laten voorlichten door één van de meerdere solide Right to Die Societies in Nederland. De Einder maakt daar deel van uit en haar consulenten kunnen u met inachtneming van de beperkingen die de wet hen oplegt, van de juiste informatie voorzien.

Niemandsland

‘Niemandsland Eerste voltooid leven roman’ luidt de volledige titel van het boek van Wouter Beekman dat dit jaar verschenen is. Wat bedoelt hij met ‘niemandsland’ en wat met ‘voltooid leven’? Vindt hij het te stil geworden rondom de vrijheid van sterven zoals hij in een interview met NVVE te kennen gaf?

Volgens Van Dale is niemandsland het tussengebied dat geen der tegenover elkaar staande legers het hunne kunnen noemen. En dat klopt aardig met wat Wouter Beekman ermee bedoelt. In zijn gelijknamige roman heeft hij aan de veeltakkige opinies die in het maatschappelijk debat over voltooid leven worden ingenomen, personages gekoppeld die elk hun onwrikbare posities innemen.

De thematiek draait rond een levenseindeconsulent die van een bejaarde hulpvrager zonder toegang tot internet het verzoek ontvangen heeft om voor hem online een dodelijke hoeveelheid in Nederland verboden euthanatica op internet te bestellen. De hulpvrager in kwestie beschouwt zijn leven als voltooid. En onder ‘voltooid’ verstaat hij dat zijn leven zinloos is geworden: ‘Ik ben mijzelf aan het overleven’, ‘Neen, […], voor mij gaat het niet om eenzaamheid’, ‘Ik zit mijn dagen uit. Die zinloosheid holt me uit. Ik ben eigenlijk altijd moe. De wereld zegt mij eigenlijk niet meer zoveel. Ik raak los van de wereld. Wat moet ik daar nog? Wat moet die wereld nog met mij?’.

Voltooid leven is dus in Niemandsland ‘als zinloos ervaren leven’. Met zijn nieuwe partner bespreekt het hoofdpersonage wat ‘een leven met zin’ betekent. Dat is voor hem een leven dat als een reis met een bestemming beschouwd kan worden. ‘Of we die bestemming zullen bereiken weten we niet. Maar die bestemming geeft richting aan onze reis. Het is het doel, het geeft de reis zin. […]. Gelovige mensen ontlenen hun levensdoel aan hun religie. Je zou dat een kant-en-klare utopie kunnen noemen. Anderen ontwikkelen hun utopie tijdens hun leven. Op hun levenspad komen ze dingen tegen. Daaruit kiezen ze dat wat hen erg aanspreekt en wat het eigenbelang overstijgt. Daar gaan ze zich voor inzetten en zo worden dat levensdoelen’.

Voor de bejaarde hulpvrager die zich tot de levenseindeconsulent heeft gewend, zijn er geen levensdoelen meer. Zijn accu is leeg en geraakt niet meer opgeladen. Wat hij wil is het leven uitglijden zoals hij er is ingegleden. Maar uit het leven glijden met hetzelfde gemak als waarmee hij er is ingegleden, daartegen heeft de maatschappij obstakels opgeworpen. Wil de levenseindeconsulent hem helpen die obstakels uit de weg te ruimen? Ja, dat wil de levenseindeconsulent.

Wanneer hij om die reden voor de rechter staat, luidt het pleidooi van zijn advocaat aldus: ‘De officier heeft gezegd dat de wet onverkort gehandhaafd dient te worden. Ze wijst een beroep op burgerlijke ongehoorzaamheid af. Dat vind ik te kort door de bocht. Ik herinner u eraan dat euthanasie destijds in de praktijk is ontwikkeld. Moedige artsen deden wat ze nodig vonden en moedige rechters accepteerden dat onder voorwaarden. Zo ontstond de Nederlandse euthanasiepraktijk. Pas ruim twintig jaar later vonden politici de moed dit in een wet vast te leggen. Waarom, zo vraag ik de rechtbank, waarom zou de weg van burgerlijke ongehoorzaamheid niet evenzo kunnen leiden tot jurisprudentie over een werkbare praktijk van hulp bij zelfdoding door anderen dan artsen?’.

Hetgeen ertoe noopt een antwoord klaar te hebben op de vraag wat een werkbare praktijk van hulp bij zelfdoding door anderen dan artsen kan zijn. Daarover is nagedacht.

Wat de levenseindeconsulent voorstaat is een tweede weg, de weg van zelfeuthanasie naast de weg van artseneuthanasie. Tijdens een wandeling langs de IJssel heeft hij het aan zijn dochter uitgelegd. De weg van artseneuthanasie is deze waarin het lijden centraal staat: mensen kunnen hun lijden niet meer verdragen en kiezen daarom voor de dood. De weg van zelfeuthanasie is deze waarin niet het lijden moet stoppen maar het leven omdat het leven geen zin meer heeft. ‘Die weg gaat uit van zelfbeschikking. Bij deze weg gaat het om zorgvuldige zelfdoding: de mens die wil sterven voert zijn zelfdoding in eigen regie uit. Dat is zijn existentiële keuze. Die weg heeft niets met ziekte en dus niets met artsen te maken. […].
Het probleem bij de tweede weg is het dodelijke middel dat daarbij nodig is. […]. Niemand wil dat dodelijke middelen vrij verkrijgbaar zijn. Dat zou immers tot maatschappelijk onaanvaardbare toestanden kunnen leiden. Ter wille van de maatschappelijke zorgvuldigheid moeten er dus voorwaarden worden verbonden aan de toegang tot dodelijke middelen. Wat mij betreft gaat het om de volgende voorwaarden: de persoon is wilsbekwaam, hij ziet geen enkel redelijk levensperspectief meer, hij neemt een vrijwillig en weloverwogen besluit over zijn zelfdoding. Als iemand aan die voorwaarden voldoet, moet hij een dodelijk middel kunnen kopen.’.

Behalve voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om voor een dodelijk middel in aanmerking te komen, zijn er in de visie van de levenseindeconsulent, ook voorwaarden waaraan moet zijn voldaan door de persoon die toetst of iemand aan de voorwaarden voldoet om een dodelijk middel te kunnen kopen.

In een interview met een journalist naar aanleiding van het proces dat tegen hem aanhangig gemaakt is, legt hij het aldus uit: ‘Ik vind dat zorgvuldige en toetsbare hulp bij zelfdoding niet strafbaar hoort te zijn. Ik zie zulke hulp als een daad van barmhartigheid, niet als een misdaad. Artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht dient daarom anders te worden toegepast. […]. Dat artikel stamt uit een ver verleden. De huidige maatschappij is totaal anders. Mensen van nu willen zelf over hun leven kunnen beschikken. Staat en kerk staan daarbuiten. Rechters kunnen in hun uitspraken voorwaarden verbinden aan zorgvuldige en toetsbare hulp bij zelfdoding. Wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, gaat de persoon die stervenshulp heeft verleend vrijuit. Op die manier kan de wet anders worden toegepast. Zo ontstaat een tweede legale weg naar de zelfgekozen dood.’.

Wat de voorwaarden zijn waaraan de persoon die een dodelijk middel wil kopen, moet voldoen en wat daar op tegen is, heeft de auteur zijn personages laten invullen. Gemist wordt een personage dat aanleunt tegen de visie die De Einder in dit verband inneemt. Behalve de voorwaarden die de auteur noemt – en die bij De Einder zijn ondergebracht onder de voorwaarde dat de gegadigde voor een dodelijk middel daarvoor niet in aanmerking komt wanneer hij (nog) niet alle consequenties van zijn zelfdoding overziet (lees wanneer hij of zij tot een ander besluit zou zijn gekomen als het totaalplaatje in kaart zou zijn gebracht) – dient in de visie van De Einder ook de voorwaarde te gelden dat de gegadigde voor het euthanaticum met zijn/haar zelfdoding geen onevenredige schade aan nabestaanden toebrengt. Van de personages die Wouter Beekman ten tonele voert, ontbreekt het personage dat zich behalve over de hulpvrager, tevens over diens nabestaanden bekommert.

Eveneens gemist wordt een uitwerking van wat zorgvuldige en toetsbare hulp bij zelfdoding inhoudt. In de visie van De Einder moet worden toegewerkt naar een allround opleiding voor levenseindeconsulenten waarbij behalve grip op en ervaring met existentiële vraagstukken, ook medische/toxicologische/farmacologische kennis een vereiste is. Naast een inhoudelijke uitwerking van wat zorgvuldige hulp bij zelfdoding behelst, dienen er ook procedurevoorschriften uitgewerkt te worden die toelaten de verstrekte levenseindebegeleiding op zorgvuldigheid te toetsen. Kan daar wat dieper worden op ingegaan?

Een en ander neemt niet weg dat Wouter Beekman met zijn ‘Eerste voltooid leven roman’ vrij compleet over vrijheid van sterven is geweest. Het vraagt om een tweede roman. Hij mag opnieuw ‘Niemandsland’ heten. In Niemandsland bevinden zich diegenen met een voltooid leven. Die aan een arts of een levenseindeconsulent vragen ‘om hen over de grens tussen leven en dood te brengen. Om met hen het niemandsland tussen leven en dood te doorkruisen’, aldus de arts die niet thuis wilde geven toen de bejaarde hulpvrager haar om euthanasie verzocht. Voor de plek waar zij leven wier leven in hun beleving geen zin (meer) heeft en waar maatschappelijke obstakels belemmeren om dat als zinloos ervaren leven te beëindigen, heeft ook de bevriende jurist die met de levenseindeconsulent ooit samen in een raad van toezicht heeft gezeten, de metafoor ‘niemandsland’ bedacht: een ontoegankelijk oorlogsgebied dat aan geen der vechtende partijen toebehoort en waarbij elkeen zich ingegraven heeft in zijn eigen gelijk zodat degene die het aanbelangt het nakijken heeft.

Politiespeurtochten naar pentobarbital

Van een hulpvraagster die door een consulent van De Einder werd begeleid, werd de melding ontvangen dat er een politieman had aangeklopt die kwam informeren hoe het zat met een illegaal middel dat betrokkene uit Mexico had laten komen.

De vrouw in kwestie heeft de woordvoering aan haar echtgenoot overgelaten. Deze heeft de aankoop niet ontkend maar uitgelegd dat zijn vrouw in nauw contact stond met haar huisarts en psychiater en binnenkort met een nieuwe behandeling zou starten. De politieagent, die het echtpaar kende, heeft daarop verklaard dat er bij de bevoegde autoriteiten nog geen beleid met betrekking tot dit soort delicten bestond en dat hij het tot nader order hierbij zou laten. Er is nog een ander opsporingsgeval bekend maar daar heeft de hulpvrager de bestelling ontkend en voor de politieagent in kwestie volstond dat om de zaak als afgedaan te beschouwen.

Niet overal is de politie zo zachtzinnig, niet in Nederland en zeker niet elders. In Frankrijk is op 15 oktober 2019 een korps van 300 agenten verdeeld over 18 regio’s uitgerukt om huiszoekingen te verrichten teneinde – in de bewoordingen van het Franse parket – ‘de smokkel van gevaarlijke stoffen voor de volksgezondheid, illegale apothekersactiviteiten en reclame voor zelfdodingsmiddelen op het spoor te komen’. In totaal, zo werden er aldus Le Monde d.d. 15 oktober jl. 130 zendingen in beslag genomen en 125 personen als aankopers geïdentificeerd. Het ging daarbij steeds om uit Mexico geïmporteerde pentobarbital die verpakt als cosmetisch product zijn weg naar de geadresseerde had gevonden.

Gebleken is dat dergelijke politiespeurtochten ook in België, Duitsland, Spanje, Noord-Amerika en Australië hebben plaatsgevonden, steeds bij aankopers die bij eenzelfde leverancier in Mexico pentobarbital hebben aangekocht. De Mexicaanse afzender werd niet getraceerd, wel diegenen die recentelijk het middel aangekocht hebben.

Een mogelijkheid is dat het lek gezocht moet worden bij de bank(en) die de aankopers hebben gebruikt om hun betaling te verrichten, veelal Western Union of Money gram die al geruime tijd mensen het hemd van het lijf vragen wanneer het om de bewuste overboekingen naar Mexico gaat. Het kan zijn dat voornoemde banken de in hun bezit zijnde informatie naar de Amerikaanse autoriteiten hebben doorgespeeld. Wat evenmin uitgesloten is, is dat in de Verenigde Staten een eenmalige lading uit Mexico onderschept is en dat de Amerikaanse autoriteiten het rechercheapparaat in de landen die het aangaat, ingelicht hebben.

Om de mogelijkheid van een politiebezoek zoveel mogelijk te beperken, drukt de laatstelijk in november bijgewerkte versie van het Peaceful Pill Handboek bestellers in spe op het hart om niet via een reguliere bank maar met bitcoins te betalen. Daartoe is een compleet nieuw hoofdstuk ‘Internet Security’ aan het Peaceful Pill Handboek toegevoegd met gedetailleerde informatie over hoe het risico vermijden als aankoper van pentobarbital geïdentificeerd te worden.

Hoewel de indruk leeft dat het in Nederland met de opsporing van voor eigen gebruik bestemde pentobarbital niet zo’n vaart zal lopen, worden lezers van deze nieuwsbrief die recentelijk pentobarbital verpakt als cosmetisch product hebben ontvangen, zekerheidshalve geadviseerd hun euthanaticum te verbergen op een plek waar het bij een huiszoeking niet kan worden gevonden. Verder van belang om te weten is dat er voor een huiszoeking steeds een huiszoekingsbevel vereist is en voorts dat niemand verplicht is om belastende verklaringen over zichzelf af te leggen.

Veertiende druk van ‘Uitweg’

Afgelopen september is de veertiende druk van ‘Uitweg’ verschenen. Sinds de eerste druk in februari 2010 zijn titel en ondertitel ‘Een waardig levenseinde in eigen hand’ onveranderd gebleven. Aan belangstelling voor deze thematiek geen gebrek: meer dan 24.000 exemplaren werden er inmiddels van verkocht. Dus geliefde lectuur voor wie meer wil weten over hoe een humane dood in eigen regie te bewerkstelligen.

Of ‘Uitweg’ van de hand van Boudewijn Chabot concurrentie ondervindt van ‘De Vredige Pil’ van de hand van Philip Nitschke & Fiona Stewart, valt niet te zeggen: onmiskenbaar is dat de vraag naar beide boeken haast exponentieel toeneemt, hetgeen erop wijst dat de behoefte eraan groot is. Uitweg en De Vredige Pil handelen over zelfeuthanasie en voor zelfeuthanasie geldt dat de betrokkene een waardig levenseinde bewerkstelligt zonder op de instemming van een arts aangewezen te zijn.

Chabot – bekend geworden door het gelijknamig arrest van de Hoge Raad waarin geoordeeld moest worden of hij strafbaar was voor het feit dat hij een psychiatrische patiënte hulp geboden had om zich van het leven te benemen – zou de problematiek waarvoor hij destijds kwam te staan, nu anders aanpakken. Zonder behandelrelatie zou hij thans geen hulp bij zelfdoding meer bieden. Aan euthanasie met behulp van een arts stelt hij dus strengere eisen dan de eisen die het Expertisecentrum Euthanasie (voorheen Levenseindekliniek) stelt. Voor hem is ‘zelfeuthanasie […] een uitkomst als een arts meent dat er niet aan de zorgvuldigheidseisen van de wet is voldaan. Euthanasie door een arts en zelfeuthanasie vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig om een goede dood voor veel mensen mogelijk te maken.’.

De grote verdienste van ‘Uitweg’ is erin gelegen dat het een heldere uiteenzetting bevat over hoe een humane dood in eigen regie verwezenlijkt kan worden. Drie methoden worden beschreven. Vreedzaam sterven is mogelijk door te stoppen met eten en drinken (een weg die slechts soelaas biedt aan ernstig verzwakte mensen), door gebruikmaking van medicijnen en door het inademen van helium of stikstofgas. Het laatste geniet niet de eerste voorkeur van de auteur en wat de medicijnroute betreft prefereert hij pentobarbital (merknaam Nembutal), het barbituraat dat in Nederland ook door artsen wordt gebruikt wanneer hun patiënt, in plaats van een intraveneuze injectie met thiopental, het opdrinken van een dodelijk drankje verkiest.

Behalve aan de drie hiervoor genoemde methoden wordt ook aandacht geschonken aan de anorganische zouten natriumnitriet en natriumazide, middelen die recentelijk bekendheid hebben gekregen naar aanleiding van de zoektocht van Coöperatie Laatste Wil naar legale middelen om een vreedzame dood te bewerkstelligen. Legaal zijn helium of stikstofgas en ook legaal is het stoppen met eten en drinken maar voor wie voor de medicijnroute gaat, kan de Geneesmiddelenwet of de Opiumwet problemen opleveren, zoals bijvoorbeeld bij pentobarbital het geval is. Ingevolge de Opiumwet is het verboden dit middel ‘A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen; B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren, C. aanwezig te hebben en D. te vervaardigen.’. Aan natriumnitriet of natriumazide kleven deze bezwaren niet maar het aantal studies naar deze middelen is te beperkt om er de overtuiging aan te ontlenen dat zij vreedzaam zijn, integendeel, op basis van de wetenschap die voorhanden is bij de door Chabot geraadpleegde toxicologen, luidt Chabots conclusie dat bij de anorganische zouten geen zachte dood gegarandeerd is.

Uitweg bevat daarnaast nuttige tips voor naasten en intimi die bij de zelfeuthanasie betrokken zijn en legt uit wat wel en niet mag, zij het dat daarbij gewezen wordt op het bestaan van een ‘grijs gebied’ waarover zowel de wet als de jurisprudentie niets zeggen (dan wel op het vlak van de casuïstiek niet helemaal met elkaar sporen) en het dus aan de betrokkene naaste in kwestie is om zonder een door wet of jurisprudentie geboden kompas zelfstandig te besluiten tot hoever hij zijn steun aan de betrokkene wil laten reiken.

In vergelijking met de vorige druk is ‘Uitweg’ compacter geworden. Behalve de auteur komen ook Bert Keizer, Govert den Hartogh en Ton Vink aan het woord. Kritiek wordt uitgeoefend op de beoordeling van ernstig dement en psychiatrische patiënten door de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie en verder worden kanttekeningen geplaatst bij de uitspraak van het hof Den Bosch in de zaak Heringa. ‘Uitweg’ sluit af met een slothoofdstuk waarin Chabot over zijn visie en missie wordt bevraagd.

De koffie-euthanasie: wat gaat voor? Is dat de wilsbekwame doodswens of is het de wilsonbekwame levenswens?

Miriam de Bontridder

De wetsgeschiedenis rond de schriftelijke wilsverklaring wijst uit dat het in strijd met de strekking van de Euthanasiewet zou zijn indien aan de niet consistente levenswens van een eenmaal wilsonbekwaam geworden persoon voorrang wordt gegeven boven de schriftelijke wilsverklaring die de desbetreffende persoon voorafgaand aan zijn wilsonbekwaamheid heeft opgesteld. Dit neemt niet weg dat er omstandigheden kunnen zijn die voor de euthanasiearts gegronde redenen vormen om de wilsbekwame doodswens niet in te willigen.

In dagblad Trouw van 9 september 2019 bepleit Miriam de Bontridder dat er tegenover het recht op leven een recht op sterven moet komen. Het requisitoir van de Officier van Justitie in wat de koffie-euthanasie is komen te heten, schreeuwt daar volgens haar om.

Op de vraag of de wilsbekwame ik tegen de wilsonbekwame ik beschermd moet worden, is het antwoord van de OvJ dat het andersom is: “De wilsonbekwame patiënt heeft het laatste woord. Zijn levenswens is doorslaggevend. Als de patiënt die wens (verbaal of non-verbaal) kenbaar maakt, mag er geen uitvoering worden gegeven aan zijn eerdere schriftelijke euthanasieverzoek. […]. Bij wisselende uitingen van een doods- en levenswens komt meer gewicht toe aan de kenbaar gemaakte levenswens.”

Voor de motivering van dit standpunt wordt een beroep op de beschermwaardigheid van het leven gedaan. Daarmee laat het betoog van de OvJ zien dat een recht op leven een leeg omhulsel is als het leven lijden geworden is en de betrokkene de dood heeft verkozen om aan dat lijden te ontkomen.

De vraag die rijst of dat de bedoeling van de wetgever van destijds is geweest: Is de schriftelijke wilsverklaring in de wet gekomen om de wilsbekwame ik tegen de wilsonbekwame ik te beschermen of is het andersom? Het stellen van de vraag is haar beantwoorden.

Expliciet heeft Miriam De Bontridder dat gedaan in een tweetal stukjes in het Nederlands Juristenblad van dit najaar. Op de vraag wat prevaleert – Is dat de schriftelijke wilsverklaring van een wilsbekwaam iemand of is dat de niet-consistente levenswens van die persoon in de fase waarin hij/zij zich over de begrippen leven of dood geen wil meer kan vormen? – luidt de conclusie zoals die in het Nederlands Juristenblad, aflevering 37, 2019 te lezen valt, dat de euthanasiearts geen betekenis aan wilsonbekwame levenswensen hoeft te hechten wanneer deze in strijd zijn met wilsbekwame doodswensen.

Tegen deze conclusie heeft een driehoofdig team bestaande uit Boudewijn Chabot, Bert Keizer en Jaap Schuurmans stelling genomen vanuit de vrees dat hiermee een loopje met een diepdemente persoon zou kunnen worden genomen. De slotreactie van Chabot c.s. zoals die in het Nederlands Juristenblad, aflevering 42, 2019 te lezen valt, eindigt ermee dat ‘ook al is een weerloos en ernstig dement mens compleet in de war, hij blijft een persoon die recht heeft op zorg en bescherming door de wet.’.
Al eerder hebben voornoemde auteurs deze stelling ingenomen. En al eerder werd die stelling volmondig beaamd. O.a. door Govert den Hartogh in de Volkskrant van 24 januari 2017: ‘Het is de voornaamste zorg van Chabot en de zijnen dat weerloze mensen beschermd worden. Weerloos ben je als er dingen met je gebeuren die je verafschuwt zonder dat je daar iets tegen kunt doen. Deze patiënt was inderdaad weerloos: wat hij wilde vermijden overkwam hem, en hij leed daar ernstig onder. Het was juist de arts die zijn wilsverklaring heeft gevolgd die hem uiteindelijk toch nog beschermd heeft.’.

Ook Miriam De Bontridder onderschrijft in haar Naschrift zoals dat eveneens in het Nederlands Juristenblad, aflevering 42, 2019 te lezen valt, de stelling van Chabot c.s. dat een weerloos en ernstig dement mens recht heeft op zorg en bescherming door de wet. Maar dan wel, evenals Govert den Hartogh, vanuit een andere invalshoek: deze van een eerbetoon aan de schriftelijke wilsverklaring die mogelijk maakt om situaties die men vreest en waarin men zelf geen zeggenschap meer heeft c.q. waarin men niet meer in staat is zich een wil te vormen, tot een ontknoping te brengen waaromtrent men tevoren als wilsbekwaam persoon verklaard heeft dat dát de door de betrokkene wenselijk geachte ontknoping betreft.

Inderdaad bergt de schriftelijke wilsverklaring gevaren in zich maar die worden ondervangen door het leerstuk van de contra-indicaties respectievelijk het leerstuk van de gegronde redenen om het euthanasieverzoek niet in te willigen. Dementie doet zich in velerlei vormen voor: van sommige diepdemente patiënten springt hun hartverscheurende radeloosheid in het oog terwijl anderen opgewekt en zich niet bewust van hun ziekte lijken te zijn. Voor met name deze laatste gevallen die erop wijzen dat de patiënt geëigende strategieën ontwikkeld heeft om met zijn/haar dementie om te gaan, wordt door voornoemd leerstuk uitkomst geboden. Ook al is er een wilsbekwame doodswens en ook al zijn, voorzover onder die omstandigheden mogelijk, aan alle zorgvuldigheidseisen die de wet voorschrijft voldaan, dan nog kunnen er gegronde redenen zijn om aan de schriftelijke wilsverklaring geen gevolg te geven. Te denken valt aan de patiënt die in zijn wilsverklaring opgenomen heeft dat hij geacht moet worden uitzichtloos en ondraaglijk te lijden wanneer hij als diepdement patiënt wat is komen te heten ‘leuk dement’ gedrag vertoont: als het een ogenschijnlijk tevreden en van zijn dementie geen last ondervindende patiënt betreft, kan dat voor de arts een gegronde reden vormen om geen euthanasie te verlenen.