Demedicalisering van levenseindebeslissingen

Moeten euthanasie en hulp bij zelfdoding tot het exclusief terrein van een arts blijven behoren? Volgens de laatste uitspraak van de Hoge Raad in de Heringa-zaak wel. Iemand op zijn verzoek helpen met sterven is ingevolge de Nederlandse euthanasiewet voorbehouden aan een arts. Vandaar dat in de visie van De Einder daar waar artseneuthanasie mogelijk is, de weg van de artseneuthanasie moet worden bewandeld.

Vaak evenwel worden onze consulenten geconfronteerd met mensen die in aanmerking komen voor artseneuthanasie, maar wier verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding door de arts wordt geweigerd. De opzet van de consulenten is alsdan het er toe leiden dat de arts terugkomt op zijn weigering om euthanasie of hulp bij zelfdoding te verlenen.

Maar meestal lukt dat niet. Is het de neiging tot bevoogden die de arts parten speelt? Is het angst uit onbekendheid voor wat ingevolge de euthanasiewet wel en niet toegelaten is? Is het het opzien tegen de emotionele aspecten die met een levensbeëindiging op verzoek gepaard gaan? Is het de afkeer van de administratieve en tijdrovende formaliteiten waaraan voldaan moet worden? Is het de stress als gevolg van de verplichte verantwoording tegenover de Regionale Euthanasiecommissies? Hoe dan ook, veel van de hulpvragers die bij De Einder aankloppen, komen in aanmerking voor euthanasie of hulp bij zelfdoding conform de wet doch hun arts wenst daarin niet mee te gaan.

Dit heeft tot gevolg dat in Nederland de schreeuw om hulp bij zelfdoding te demedicaliseren steeds groter wordt en begrijpelijke tegenkrachten uitlokt.

In de visie van De Einder is de optimale situatie aldus dat diegenen die mensen begeleiden in een traject waarin zij hun eigen dood regisseren, over medische, farmacologische en toxicologische kennis beschikken. Daarnaast zijn andere competenties noodzakelijk. Vertrouwdheid met existentiele problematieken en met sociaal-maatschappelijk werk; empathische bedrevenheid en psychologisch inzicht, misschien zelfs filosofische of antropologische scholing.

We moeten af van het credo dat levenseindebeslissingen tot het exclusief domein van de arts dienen te behoren. Het uitgangspunt behoort te zijn dat het het individu in kwestie is dat over zijn levenseinde beslist en niet een dokter die uitmaakt of iemand in aanmerking komt om wel of niet met doodgaan geholpen te worden.

Zodra eenmaal de erkenning heeft postgevat dat aan het individu, behalve een recht op leven, ook een recht op sterven toekomt, is de volgende stap dat er voor gezorgd wordt om dat recht effectief te laten zijn. En daartoe is nodig dat de doorsnee burger die op vreedzame wijze uit het leven wil stappen, op professionele assistentie een beroep kan doen om zijn voornemen ook daadwerkelijk te laten lukken.

Een vraag is welke professional er geschikt is om hier bijstand te leveren. In de eerste plaats moet dat iemand zijn met gedegen kennis van methoden en middelen tot zelfdoding en met gedegen kennis van alle mogelijke complicaties bij het gebruik daarvan. Op dit moment is de meeste kennis daarover bij medici, farmacologen en toxicologen te vinden. Die kennis moet gebundeld worden maar is nog niet afdoende: zij moet aangevuld worden met kennis uit de menswetenschappen en uit de welzijnszorg.

De Einder gaat hier mee met de visie van voormalig Minister Schippers en van het huidige kamerlid Dijkstra dat zich binnen de gezondheidszorg een nieuw specialisme, dat van stervensbegeleider, moet ontwikkelen.

Van een stervensbegeleider mag worden verwacht dat hij zijn rol instrumenteel opvat en zijn professionaliteit in dienst stelt van degene die op hem als stervensbegeleider een beroep doet. Zijn eigen waardeoordelen mag hij daarbij niet laten prevaleren boven deze van de hulpvrager. Waarmee niet is gezegd dat De Einder vindt dat de stervensbegeleider de waardeoordelen van de hulpvrager boven de zijne moet laten prevaleren. Het gaat hier om het afleggen van de moeilijke weg een precair evenwicht tussen soms botsende waardestelsels te vinden: Zijn de omstandigheden van dien aard dat de maatschappelijke opvattingen omtrent het recht op leven moeten prevaleren of mag voorrang aan de wil tot sterven van de hulpvrager worden gegeven?

De stervensbegeleider die De Einder op het oog heeft zal elke keer weer minutieus moeten nagaan of iemand in essentie een beter leven wenst dan wel de facto dood wil zijn (‘op het leven uitgekeken is’) en of er voor iemand die een beter leven wenst inderdaad mogelijkheden voor zo’n beter leven zijn. Het ligt in de rede dat iemand bij wie de stervensbegeleider vanuit zijn expertise niet anders kan dan de afweging maken dat het betere leven dat de hulpvrager wenst, daadwerkelijk realiseerbaar is, met de neus op het feit gedrukt wordt dat van hem gevergd mag worden dat hij serieuze pogingen onderneemt om bij de maatschappelijke opvattingen omtrent een recht op leven aan te sluiten. Bij iemand waarvan onomstotelijk komt vast te staan – voor zover onomstotelijkheid mogelijk is in situaties waarin de toekomst in het geding is – dat hij klaar met leven is dan wel dat een beter leven er voor hem niet inzit, is er ruimte om aan de individuele wil tot sterven van de hulpvrager voorrang te geven.

Het maatschappelijk erkend recht op leven tegenover de individuele wens om het leven los te laten

Het merendeel der mensen ervaart het leven als een geschenk. Voor een kleine minderheid is het een straf. Mogen degenen die van het leven an sich genieten, degenen voor wie het an sich een lijdensweg betekent, veroordelen tot het leegdrinken van de volle beker die leven heet?

Voor veel van de hulpvragers die bij De Einder aankloppen, gaat dit op. Zij zouden geholpen kunnen worden met uitsluitend warmte, liefde, individuele aandacht en waardering van hun nabije omgeving.

Er zijn er ook bij wie het niet aan liefde van hun omgeving ontbreekt maar wier levensmoeheid door een gebrek aan maatschappelijke voorzieningen wordt veroorzaakt en voor wie een betere welzijnszorg zou volstaan om hen hun levenslust terug te geven.

Nog een andere categorie is deze van de mensen die weliswaar een beter leven ambiëren maar bij wie geen beter leven mogelijk is: ofwel omdat er voor hun situatie geen medische oplossing is ofwel omdat geen enkele op empathie of materiële ondersteuning of op andere hulp gebaseerde aanpak in staat is hun frustratie over het leven weg te nemen.

Tot slot is er een kleine restcategorie die inderdaad geen beter leven maar dood wil.

Wat vindt De Einder van de stelling dat erop gefocust moet worden iemand voor de dood te behoeden door een liefdevolle omgeving en goede sociale voorzieningen?

Daargelaten dat met die aanpak niet de derde en vierde categorie van hulpvragers geholpen kan worden (de derde categorie niet omdat een liefdevolle omgeving en betere sociale voorzieningen nu eenmaal niets kunnen verhelpen aan de medische, psychische, psychopathologische, sociale of mentale situatie die aan een beter leven in de weg staat en de vierde categorie niet omdat zij hoegenaamd niet naar een liefdevolle omgeving en betere sociale voorzieningen taalt), is De Einder geneigd om wat de eerste twee categorieën van hulpvragers betreft, met name pragmatisch te zijn:

Zodra duidelijk is dat de naaste omgeving en de samenleving het de facto laten afweten, moet je je niet in de eerste plaats focussen op het niet te klaren karwei om de naaste omgeving en de samenleving ten behoeve van de slachtoffers daarvan te veranderen, maar moet je je in de eerste plaats op de slachtoffers zelf focussen. Zij hebben geen boodschap aan de erkenning dat de naaste omgeving en de samenleving het laten afweten; zij hebben ook geen boodschap aan beleidsplannen van politici om dat te veranderen; zij moeten het doen met de constatering dat het leven voor hen om zo te zeggen niets in het vooruitzicht heeft, en als die constatering hen doet besluiten dat het welletjes is geweest, dan is het niet aan anderen maar aan henzelf om daar al dan niet gevolgtrekkingen aan te verbinden.

Hetgeen dus niet wil zeggen dat De Einder niet sympathiseert met alle initiatieven om iemand een beter leven te geven: als er indicaties zijn dat iemand met individuele aandacht en sociale zorg geholpen kan worden, moet daar de prioriteit worden gelegd.

Wat ten aanzien van de derde categorie van mensen die weliswaar een beter leven ambieert maar aan wier lot niets veranderd kan worden doordat fysieke, psychische, psychopathologische, sociale of mentale belemmeringen aan een beter leven in de weg staan? In de visie van De Einder kun je alsdan niet meer betekenen dan hen die daarom vragen bij een humane dood in eigen regie behulpzaam te zijn.

En wat ten aanzien van de mensen die geen beter leven ambiëren? Want die zijn er ook. Hun aantal is evenwel zo klein dat zij tot dusverre systematisch als een minderheid over het hoofd worden gezien. Toch mogen de ogen niet gesloten worden voor hen bij wie niet op de achtergrond een verlangen naar een beter leven speelt maar een verlangen om voor eeuwig zo vreedzaam mogelijk in te slapen.
Het merendeel daarvan bestaat uit ouderen die zich aldus laten omschrijven: mensen die de binding met de samenleving en met de ander aan het verliezen zijn. Niet uitgesloten is dat dat een kenmerk is dat inherent is aan het ouder worden: het met het verstrijken van de jaren insluipen van een gevoel van ‘klaar te zijn met het leven’, het toegroeien naar een terugkeer in de schoot van Moeder Aarde.
Behalve ouderen, zijn er ook mensen die vanaf hun prille jeugd al getriggerd zijn geweest door de wens om liever niet geboren te zijn. Vanaf het moment dat zij in het leven geworpen waren, werd hun bestaan meer door een doodsverlangen dan door een levensdrift gekenmerkt. Voor degenen die tot die categorie behoren, is de dood van meet af aan een vriend geweest. Zij worden veelal als psychiatrisch patiënt gediagnosticeerd.

De Einder is van mening dat wat deze vierde categorie betreft, ook moet worden geluisterd naar zowel ouderen die klaar zijn met leven als naar adults die naar vreedzaam inslapen streven. Het zijn er weinigen maar ook hun stem moet serieus worden gehoord. Wat zij vragen is met rust gelaten worden door al diegenen die hen het leven willen induwen. “Bemoei je met je eigen zaken” is het geluid dat zij te horen geven. Het zou goed zijn dat daar eens naar wordt geluisterd door al diegenen die menen de beslissing voor een ander te mogen nemen.

Waarmee alleen maar het volgende wordt gezegd: als iemand het persoonlijk waardeoordeel toegedaan is dat het leven boven de dood prevaleert, dan mag hij dat voor zichzelf vinden maar moet hij tolereren dat een ander voor zichzelf de dood boven het leven prefereert.

Moet hij daaraan meewerken? Dat weer niet. Maar hij moet het ook niet tegenwerken als er anderen zijn die daar wel consciëntieus hun medewerking aan willen verlenen.

Middel X van CLW

De afgelopen maanden werd aan De Einder regelmatig de vraag voorgelegd ‘wat te denken over Middel X’ en ‘zal Middel X het in de juridische strijd over haar bestaansrecht overleven’.

Middel X dat door De Einder ‘het poeder van CLW’ wordt genoemd als zinspeling op ‘de pil van Drion’ is een substantie waarover veel mensen willen beschikken die er rekening mee houden dat er een moment kan komen waarop het leven voor hen een straf geworden is. In enkele maanden tijd is het ledenaantal van CLW van ruim 3000 naar ruim 20.000 opgelopen. Daarmee is een duidelijk signaal afgegeven: ja, de pil van Drion beantwoordt aan een niet te miskennen behoefte. De Einder ondersteunt elk initiatief om daartoe te komen.

Het mooist zou zijn wanneer mensen legaal – met wettelijke waarborgen omkleed – kunnen beschikken over het middel dat door artsen wordt gebruikt om iemand euthanasie te verlenen. Dat middel evenwel dat tot dusverre het meest vreedzame middel is om uit het leven te glijden, is niet legaal verkrijgbaar. Middel X is dat wel en zou volgens het toxicologisch certificaat dat CLW daarover afgeeft, relatief vreedzaam zijn.

Als Middel X kan voorkomen dat mensen naar bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen of rattengif grijpen, dan is dat mooi meegenomen. Wel moet er alles aan gedaan worden om misbruik van Middel X uit te sluiten. Dat kan door de samenstelling dusdanig te bewerken dat qua smaak, geur, kleur en mondtextuur bij misbruik onmiddellijk alarm wordt geslagen en dat het middel voorafgaand aan inname daarvan voor eigen gebruik, in een kluis met biometrisch slot wordt bewaard. Om de nare bijwerkingen van Middel X af te wenden dient het met slaapmiddelen en pijnstillers te worden gecombineerd. Omdat Middel X snelwerkend is, vereist de timing van inname van deze cocktail een strakke regie.

Blijkens hetgeen de door NRC daarover ter inzage gegeven stukken van CLW laten zien, tracht CLW zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan. Onder aantekening dat aan De Einder niet precies alle ins en outs van het inkoop- en distributieproces bekend zijn, lijkt het erop dat de handelswijze van CLW en de Inkoper de juridische toets van artikel 294 tweede lid Sr kan doorstaan. Voornoemd tweede lid luidt als volgt:

Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

Laten we eerst aanknopen bij de zinsnede: ‘hem de middelen daartoe verschaft’ . Noch door CLW noch door de Inkoper worden zelfdodingsmiddelen verschaft: Het is het lid van CLW (de Besteller) dat een bestelling wenst te plaatsen en daartoe een door CLW aangewezen Inkoper machtigt om namens hem die bestelling te verrichten. Die bestelling wordt – zo begrijpt De Einder het – dusdanig geïndividualiseerd dat zij tot de Besteller te herleiden valt zodat de levering van Middel X rechtstreeks aan de Besteller kan plaatsvinden. Zoals gezegd: er lijkt dus geen sprake van te zijn dat het CLW of de Inkoper is die aan de Besteller Middel X verschaft.

Dan de andere zinsnede in artikel 294 tweede lid Sr: ‘een ander opzettelijk bij zelfdoding behulpzaam zijn’. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat het verschaffen van informatie, het praten over zelfdoding en het verlenen van morele steun daarbij geen strafbare hulp bij zelfdoding zijn. In de jurisprudentie is ook uitgemaakt dat het verstrekken van instructies tot zelfdoding in de zin dat min of meer aan de zelfdoder in spe wordt ‘opgedragen’ dan wel ‘aangemoedigd’ om uit het leven te stappen, als strafbare hulp bij zelfdoding kwalificeert. Ook het overnemen van de regie kwalificeert als strafbare hulp bij zelfdoding. Daartussenin ligt een grijs gebied. CLW gaat hier verder dan wat de kleine tweehonderd stervensbegeleiders in Nederland doen.

Voor CLW staat voorop dat de mens een rationeel wezen is dat autonoom in staat is een afgewogen keuze t.a.v. het levenseinde te maken. Inderdaad zal dat opgaan voor de meeste leden van CLW: haar ledenbestand valt op door mondigheid en zelfredzaamheid. Wat van de leden van CLW kan worden gezegd, valt ook te zeggen van de mensen die naar De Einder komen.

Maar – en dat zijn de kritische geluiden die vallen te beluisteren – de samenleving bestaat niet alleen uit mondige en zelfredzame wezens. Hoe kunnen de kwetsbare personen tegen het poeder van CLW worden beschermd? En hoe degenen wier wil door druk van buitenaf gevormd wordt? En zij die zich in een tunnelvisie bevinden: een visie waarbij hun kijk op zichzelf en de buitenwereld niet met de werkelijkheid strookt? Daarvoor is weliswaar bij CLW een projectleider aangesteld die de intellectuele, ethische en filosofisch-psychologische bagage in huis heeft om hieromtrent een inschatting te maken. Echter, die inschatting blijft een momentopname.

In de visie van De Einder vereist een zorgvuldige zelfdoding dat iemand na lang gevoelsmatig en rationeel wikken en wegen tot het gefundeerde oordeel komt dat het leven voor hem of haar weinig of niets positiefs in het vooruitzicht heeft. Dat hij beter af is door er niet meer te zijn – en, niet onbelangrijk, dat hij daarbij de gerechtvaardigde belangen van zijn dierbaren in enigerlei mate laat meewegen. Het komt, zo is De Einder van mening, het hiervoor omschreven afwegingsproces ten goede wanneer dat door een objectieve professional wordt begeleid. Die begeleiding tracht te voorkomen dat iemand handelt vanuit zijn tunnelvisie, de visie waarin zijn beeld over zichzelf en zijn feitelijke situatie niet met de werkelijkheid strookt. Dat gevaar bestaat bij elk individu. Hoewel dus De Einder het oordeel van CLW deelt dat mensen vaak prima in staat zijn hun eigen afwegingen te maken, verdienen zij het ook om in de gelegenheid te worden gesteld die afwegingen met een ander te delen.

Het gaat om de meest ingrijpende beslissing die iemand kan nemen. Alle individuele beschouwingen – en vaak ook twijfels daarover – voorhouden aan iemand die de distantie kan opbrengen om zich niet met de persoon in kwestie te identificeren maar die er evenmin op uit is om iemand van zijn doodsverlangen af te brengen, leidt ten eerste tot een zorgvuldig afwegingsproces. Ten tweede, en dat is zo mogelijk nog waardevoller, het verschaft de suïcidant in spe een intimiteit die hem toelaat in harmonie met zijn sociale omgeving afscheid van de wereld te nemen.

‘Sommige mensen worden gedreven door het verlangen voor eeuwig in te slapen’

Artikel uit de Relevant, februari 2018

‘Het merendeel van de tweeduizend mensen die jaarlijks bij De Einder aankloppen om hulp, wenst eigenlijk een beter leven. Daarentegen zijn er die niet worden gedreven door dat verlangen, maar door de wens zo vreedzaam mogelijk voor eeuwig in te slapen. De groep voor wie het doodsverlangen heftiger is dan de drift naar een goed leven, bestaat voor de helft uit ouderen. Zij hebben hun binding met onze samenleving verloren.’

Leo Enthoven

Miriam de Bontridder

De van oorsprong Belgische Miriam de Bontridder is sinds 2013 bestuurslid van De Einder. Dat heeft als motto ‘steun bij een humane dood in eigen regie’. In het dagelijks leven is zij raadsheer-plaatsvervanger bij de afdeling civiele rechtspraak aan het Amsterdamse Hof (aansprakelijkheidsrecht, ondernemingsrecht, financieel recht). Haar visie op het zelfgekozen levenseinde is glashelder. ‘De Einder is geen bridgeclubje. Toen ik besloot mij te gaan inzetten voor de erkenning van het recht op sterven heb ik meerdere organisaties die op dit vlak werkzaam zijn, de revue laten passeren. Uiteindelijk heb ik voor De Einder gekozen omdat deze daar het verst in gaat. Zoals ieder lid van de samenleving mogen rechters maatschappelijk actief zijn, ook op dit terrein.’

Beschaafde grondwetten
‘Tijdens mijn studie filosofie ben ik gaan nadenken over existentiële kwesties. Later heb ik rechten gestudeerd. Wat is existentiëler dan leven en dood? Het intrigeerde mij dat beschaafde grondwetten het recht op leven erkennen, maar dat een even wezenlijk recht, dat om te sterven, nooit diezelfde erkenning heeft gekregen.
Over het in het leven geworpen worden heb je als individu geen zeggenschap. In mijn visie is elk mens het aan zichzelf verplicht het levenseinde tot een eigen beslissing te maken. Als denkend en voelend wezen ontkom je er niet aan stil te staan bij de vraag of je je dood in andere handen legt, wacht tot God of de schepping of de natuur je roept, dan wel zelf daarover de regie wilt voeren. Ik bewonder diegenen die het stervensproces het liefst zien als een blaadje dat door een zachte bries loslaat van de tak. Daarnaast voel ik consideratie met hen die de teugels in handen willen houden. Ieder individu heeft recht op de keuze tussen overgave aan krachten buiten hemzelf en tot het laatste moment gefocust zijn om kapitein te blijven op het schip van eigen lichaam en geest. Voor mij is dat de betekenis van zelfbeschikking en autonomie. Ik vind het een gebrek van de euthanasiewet dat van medisch gerelateerd lijden sprake moet zijn. Een kleine minderheid lijdt níét medisch maar existentieel. Die valt buiten de boot. Bij De Einder bestond en bestaat voor die kleine minderheid een begripvol oog. Dat heeft De Einder ook voor mensen bij wie artsen euthanasie weigeren omdat die naar hun oordeel niet ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Meer dan bij de nvve destijds waren consulenten van De Einder bereid iets te betekenen voor mensen die leden aan het leven en geen enkele instantie bereid vonden hen uit hun lijden te verlossen. Dat bepaalde mijn keuze voor De Einder: een organisatie die bereid is mensen voor wie het leven te veel geworden is, van informatie en morele steun te voorzien.’

Slagvaardig
‘De NVVE heeft vorig jaar voor dezelfde, autonome route gekozen. Je zou de vraag kunnen stellen waar onze toegevoegde waarde uit bestaat. Ik denk niet zo in termen van toegevoegde waarde. Als kleine stichting is De Einder slagvaardig. Meer belang hecht ik aan een ander pluspunt. De Einder is een van meerdere organisaties die een gezamenlijk gedragen maatschappelijk bewustzijn uitstralen: ieder mens de beschikking over eigen lichaam en geest geven. Dat wijst op een breed besef in de samenleving dat verandering in wetgeving noodzakelijk is wat betreft zelfbeschikking over het eigen levenseinde. Een rechter behoort recht te spreken met inachtneming van opvattingen die in de samenleving leven. Dus zoiets moet een rechter achter de oren doen krabben bij het vellen van een vonnis over intimi of consulenten die hulp bij zelfdoding hebben verleend.

Uit de stormloop om lid van de Coöperatie Laatste Wil te worden blijkt dat veel mensen behoefte hebben aan een levenseindepil. Bij De Einder zien we dat de opluchting bij veel hulpvragers ontzettend groot is als zij weten hoe zij zo’n pil binnen eigen handbereik kunnen brengen. Het bezit van zo’n pil, of informatie hoe die te bemachtigen, laat hen toe muizenissen en gepieker over hun levenseinde uit te bannen en onbezorgd en met vertrouwen hun leven voort te zetten.’

Tunnelvisie
‘Ik stel geen leeftijdsgrens, noch dat iemand ondraaglijk en uitzichtloos moet lijden. Voor mij volstaat dat iemand na lang gevoelsmatig en rationeel wikken en wegen tot het gefundeerde oordeel komt dat het leven voor hem of haar weinig of niets positiefs in petto heeft. Dat hij beter af is door er niet meer te zijn. Het liefst zie ik daarbij begeleiding door een objectieve professional. Die voorkomt dat iemand handelt vanuit een tunnelvisie, waarin zijn beeld over zichzelf en zijn feitelijke situatie niet met de werkelijkheid strookt. Dat gevaar bestaat bij elk individu.

De laatstewilpil moet ook toegankelijk zijn voor dementerenden, zwakbegaafden, psychiatrische patiënten, criminelen, zodra zij zich in een situatie bevinden waarin zij de dood verkiezen boven het leven. Met ‘situatie’ bedoel ik dat iemand niet alleen door het nu wordt bepaald, maar tevens door hetgeen geweest is en door de verwachtingen omtrent wat komen gaat. Om misbruik te voorkomen moeten waterdichte veiligheidsstandaarden worden ontwikkeld. Bijvoorbeeld een kluis met biometrisch slot. En het middel moet dusdanig van samenstelling zijn bewerkt wat betreft smaak, geur, kleur en mondtextuur dat dit bij misbruik onmiddellijk tot alarm leidt.’

Relevant 1, februari 2018 is een uitgave van de NVVE te Amsterdam
www.nvve.nl/relevant
Foto: René ten Broeke

Sinds 23 januari verkrijgbaar: ‘De Vredige Pil’

Voor de nieuwsbrieflezers die zich de afgelopen maanden regelmatig tot de Einder gewend hebben om te vernemen wanneer de Nederlandse vertaling van The Peaceful Pill Handboek op de markt komt, het volgende heuglijk nieuws.

Sinds 23 januari is de digitale versie van ‘De Vredige Pil’ verkrijgbaar. Om deze versie aan te kunnen schaffen is vereist dat de bestelling geplaatst wordt door iemand van 50 jaar of ouder dan wel iemand die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt.

Als eerste organisatie in Nederland die verder wilde gaan dan euthanasie legaliseren en en die daarom ijvert voor het autonoom kunnen bewerkstelligen van een humane dood in eigen regie, is voor De Einder The Peaceful Pill Handbook onmisbaar geweest sinds het in 2006 voor het eerst is verschenen. Het is een goede zaak dat mensen die het Engels niet machtig zijn, vanaf nu over de Nederlandse uitgave kunnen beschikken.

In de ruim twintig jaar dat De Einder mensen informeert over en begeleidt bij hun besluit om zelfstandig uit het leven te stappen, is gebleken dat alleen kennis over adequate methoden en/of geschikte middelen voor velen van hen ontoereikend is.

Wat ontbreekt is een sparring partner, een luisterend oor, iemand aan wie ze hun laatstewilbesluit kunnen voorhouden en met wie ze over hun doodsverlangen en de uitvoering van hun voornemen tot een hoogstpersoonlijke uitwisseling van gedachten, emoties, gevoelens, twijfels en vragen kunnen komen. Het is hierin dat de consulenten van De Einder een onvooringenomen rol vervullen.

Voor rond de warme kachel bij de lichtjes van de kerstboom

Bezinningslectuur voor wie “het” graag geregeld wil zien

Over “Als ik later dood ben en wat ik dan zou willen”, hebben Simone Scholts, Meta Stevens, Yvon Thewessen en Margon de Vries een gelijknamig fraai werkboek uitgegeven waarbij zij zich verenigd hebben in platform Nel dat als doelstelling heeft om het eigen afscheid bespreekbaar te maken. Het is te bestellen via telefoonnummer 06-255 966 95 of Platformnel.
Het betreft een dun boekwerkje met veel ruimte voor individuele notities nadat u door een aantal vragen en checklists bent geloodst. Het dwingt in de eerste plaats om over praktische zaken die met uw uitvaart samenhangen na te denken maar het is zo vormgegeven dat het ruimte laat voor persoonlijke aantekeningen waarbij u stil kunt staan bij de levensfase die aan het overlijden voorafgaat en die aan uw dierbare(n) en/of aan de professional(s) waarop u een beroep wilt doen, handvatten biedt om uw diepste wensen zo goed mogelijk te respecteren. Wanneer u uw aantekeningen van een datum, handtekening en naam voorziet, kan het dienst doen als een artistiek opgezette schriftelijke wilsverklaring die meteen geldig is. Een gang naar de notaris om een officieel document te maken (het zogenaamde levenstestament waarbij u regelingen treft t.a.v. hoe en door wie uw medische, persoonlijke en geldelijke belangen moeten worden behartigd wanneer u dat bij leven niet meer zelf kunt doen), is niet nodig – hoewel dat wel zinvol kan zijn wanneer u discussies omtrent de rechtsgeldigheid van uw schriftelijke wilsverklaring voorziet en dergelijke discussies wenst te voorkomen.

Indien u bij het formuleren van uw diepste wensen en verlangens met betrekking tot uw levenseinde uw gedachten de vrije loop wilt geven en niet aan een voorgedrukt werkboek gebonden wilt zijn, kunt u natuurlijk ook een blanco papier als uitgangspunt nemen en – al is het maar in staccato – de onderwerpen aanstippen waarover u met uw dierbare(n) en/of met professionals van gedachten wilt wisselen. Een houvast daarbij biedt het enkele maanden geleden door KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst) uitgegeven e-book “Praat op tijd over uw levenseinde”, gratis te downloaden via Patientenfederatie.
In dit e-book ligt de nadruk op wat u op gebied van medische zaken aan verlangens of angsten heeft: bijvoorbeeld welk fysiek of psychisch lijden vreest u; waar wilt u het liefst sterven; wat voor behandelingen wenst u nog wel en welke niet meer; onder welke omstandigheden wilt u nog wel gereanimeerd worden en onder welke niet meer; wilt u bewust afzien van eten en drinken; kiest u voor palliatieve sedatie of heeft u een euthanasiewens; wilt u organen doneren of uw lichaam ter beschikking van de wetenschap stellen?

Gaat het u, behalve om medische angsten en verlangens, ook om angsten en verlangens die met geld en bezittingen verband houden dan wel op uw sociale leven toezien, dan kunt u via internet op ‘levenstestament’ googelen dan wel er de in september 2017 door de KNB (Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie) uitgegeven “Checklist Levenstestament” bij halen die gratis te downloaden is via Wie van de drie.
In deze bronnen komen, naast medische zaken, ook zaken aan de orde zoals bijvoorbeeld wie uw administratie overneemt als u dat (tijdelijk) zelf niet meer kunt; wie in dat geval uw bankzaken regelt; wie uw belastingaangifte doet; wie uw bezittingen beheert; wie medische beslissingen voor u neemt; wat uw wensen zijn op gebied van persoonlijke verzorging, hoe uw contacten moeten verlopen met al dan niet verre familieleden, met uw vriendenkring, met verenigingen waarvan u lid bent,, met al dan niet voormalige collega’s, met zakelijke dienstverleners als krantenbezorgdienst of winkelbedrijven, met de kerk; hoe om te gaan met de sociale media en andere communicatiekanalen waarvan u gebruik maakt; waar zich de inlogcodes en wachtwoorden bevinden van de diverse internetaccounts die u bezigt; of en zo ja hoe degene die u aanwijst nog verantwoording aan wie moet afleggen en met wie hij eventueel over bepaalde zaken voorafgaand overleg moet hebben; kortom wat u zo allemaal van uw vertrouwensperso(o)n(en) verwacht en welke informatie u hem, haar of hen daartoe verstrekt.

Bezinningslectuur voor wie naar meer fluïde aanknopingspunten zoekt om “het” te beschouwen

Wanneer u meer van het beschouwelijke type bent en nog niet zo goed voor u zelf hebt uitgemaakt hoe u wilt dat de fase voorafgaand aan uw levenseinde verloopt – of dat niet op een rijtje wil zetten maar op u af wilt laten komen -, dan zijn “Pogingen iets van het leven te maken” en “Zolang er leven is”, aanbevelenswaardige en de lachspieren niet ontziende lectuur die vooral op de in de kiem bij elk mens aanwezige mildheid en lankmoedigheid inspeelt. In beide boeken, op internet bestelbaar en vanwege het enorme succes in elke boekhandel verkrijgbaar, laat de onder pseudoniem optredende Hendrik Groen, met alle wijsheid die bibliothecarissen eigen is, zien hoe je kunt voorkomen een chagrijn te worden dat door iedereen wordt gemeden en, meer dan dat, hoe je aan de fase die aan je levenseinde voorafgaat, van elke bijbedoeling gespeend puur geluk kunt ontlenen. Een steuntje in de rug voor De Einder is dat de auteur zich in ons informatiemateriaal lijkt te hebben verdiept. Met betrekking tot hetgeen hij daarvan heeft opgestoken, schrijft hij met vooruitziende blik dat zijn voornemen is om zijn beste vriend in vertrouwen te nemen voor het geval de eigen regie zonder steun van een vertrouweling niet meer lukt.

Nog een ander boek dat u op het goede been zet om ten aanzien van sombere gedachten die met lichamelijke, psychische en geestelijke achteruitgang samenhangen, het roer om te gooien, is “Winter in Gloster huis” van Vonne van der Meer. Laat u verwennen of verwen u zelf, is de boodschap die er voor de levenstobberaar achter schuil gaat maar nog een belangrijker boodschap is aan de omgeving van de levenstobberaar geadresseerd: Je kunt voor hem of haar zoveel betekenen als je drijfveer is om het hem of haar zo behaaglijk mogelijk te maken en hem of haar met zorg, aandacht en koestering te omgeven. Dat maakt het zowel voor de levenstobberaar als voor zijn of haar omgeving tot een situatie die voor hen beiden alleen maar pluspunten heeft. Grappig (toeval?) is dat het verhaal dat Vonne van der Meer beschrijft, voortbouwt op de metafoor waardoor De Einder zich bij haar oprichting heeft laten leiden: in een hotel voorzien waarin niet de organisatie centraal staat maar alles erop gericht is om het de hulpvrager als gast zo aangenaam mogelijk maken.

Bezinningslectuur voor wie het om lotgevallen over voltooid leven, om de wetenschappelijke ins en outs van vijftien jaar euthanasiewet of om praktische wetenswaardigheden rond artseneuthanasie en zelfeuthanasie is te doen

Voelt u zich klaar met leven of lijdt u aan het leven, dan valt misschien te overwegen om aan de hand van “Voltooid leven” van Els van Wijngaarden, verkrijgbaar via internet of boekhandel, tot een introspectie te komen die u toelaat te expliciteren wat u op uw eigen situatie toegespitst onder voltooid leven verstaat. Misschien blijft u bij uw conclusie dat het leven voor u niets meer in petto heeft dat het waard is om uw leeg aanvoelende accu voor op te laden maar misschien ook doet het bij u een licht opgaan dat er voor de door u begeerde levenseindepil wel degelijk nog een alternatief bestaat.

 

 

Mogelijkerwijs heeft u geen belangstelling voor nieuwlichterij zoals onder eigen regie te slikken levenseindepillen en is het er u uitsluitend om te doen voornamelijk theoretische kennis omtrent de wettelijke mogelijkheden tot levensbeëindiging te vergaren. Verdiept u zich dan in “15 jaar euthanasiewet”, titels, onder redactie van Laura de Vito en bestelbaar bij NVVE.
Vijftien auteurs zijn daarin aan het woord over wat de euthanasiewet ons heeft gebracht, vanuit welke achtergrond zij tot stand is gekomen en wat mogelijkerwijs haar toekomstige ontwikkeling gaat zijn.

 

 

Bent u er wel degelijk op uit om het dichter bij uw eigen levenseinde te houden, lees dan “Uiteindelijk, keuzes rondom het levenseinde” van Mirjam Scholten, verkrijgbaar via internet, boekhandel of uitgeverij Gopher.
Daarin begeleidt de schrijfster u bij uw gedachten over het onvermijdelijke einde, de zorg waaraan u daaraan voorafgaand mogelijkerwijs behoefte heeft, de wilsverklaringen die u in verband met uw levenseinde kunt opstellen, de complexe praktijk van de euthanasie en de manieren om een humane dood in eigen regie te bewerkstelligen.

 

Heeft u voor uzelf al uitgemaakt dat zodra het zo ver is, de ultieme zelfbeschikking niets voor u is en u de koninklijke weg van een aan een arts te richten euthanasieverzoek zult bewandelen, sla dan in geen geval “Slotakkoord” van Willeke Stadtman over, verkrijgbaar via internet en boekhandel.
De schrijfster is arts bij de Levenseindekliniek en heeft in haar bijzonder prettig leesbaar boek in vijftien hoofdstukken een schat aan informatie bijeengebracht over misverstanden die er over euthanasie bestaan, zoals dat een scen-arts toestemming moet geven voor euthanasie; dat een schriftelijke euthanasieverklaring volstaat; dat de familie het eens moet zijn met het euthanasieverzoek; dat je je voor euthanasie het beste bij de Levenseindekliniek kunt aanmelden; dat minderjarigen niet voor euthanasie in aanmerking komen; dat euthanasie een terminale ziekte vereist; dat euthanasie in geval van dementie of een psychiatrische aandoening of bij voltooid leven niet mogelijk is; dat palliatieve sedatie een alternatief voor euthanasie is en tot slot dat na afwijzing van een euthanasieverzoek een ‘goede dood’ uitgesloten is. Met name dit laatste hoofdstuk kan voor u die artseneuthanasie als enige vanzelfsprekendheid gereserveerd heeft, van relevantie zijn: vindt u geen enkele arts bereid om aan uw euthanasieverzoek gevolg te geven en wenst u desalniettemin een goede dood, dan kunt u die zelf in eigen regie realiseren. Het vereist enige voorbereiding en misschien dat u daarbij op een hulporganisatie zoals bijvoorbeeld De Einder een beroep zult moeten doen, maar een humane dood zonder bemoeienis van een arts behoort tot de mogelijkheden.

De Einder in gesprek met de vereniging Recht op Waardig Sterven

De Belgische Vereniging Recht op Waardig Sterven (RWS) timmert in België aan de weg om een humane dood in eigen regie bespreekbaar en uitvoerbaar te maken. In dat verband legde zij haar oor te luisteren bij Miriam de Bontridder, bestuurslid juridische zaken van Stichting de Einder.

Steun bij een humane dood in eigen regie

Miriam de Bonridder

In het historische hart van Amsterdam sprak RWS met Mr. Drs. Miriam de Bontridder, gastspreker op onze vijfde Nationale Dag van Waardig Sterven en Euthanasie, over Stichting De Einder waar zij in de raad van bestuur zetelt.

‘Steun bij een humane dood in eigen regie’ is de slagzin naast het logo van Stichting De Einder op de website en ook op de brochure. Deze zin bevat de kerngedachte waar deze stichting voor staat. Vooral de laatste drie woorden, in eigen regie, vallen hier op. Waaruit bestaat de steun die u kan bieden aan iemand die toch al een besluit genomen heeft omtrent zijn eigen levenseinde of nog twijfelt daaromtrent? In Nederland is hulp bij zelfdoding toch strafbaar?

In Nederland is hulp bij zelfdoding niet strafbaar als die hulp verstrekt wordt door iemand die arts is en aan de zorgvuldigheidseisen van de euthanasiewet voldoet. Ook niet strafbaar is zelfdoding in eigen regie. Hulp bij zelfdoding in eigen regie is strafbaar als de hulp het karakter van een instructie heeft en/of de hulpverlener de regie van de hulpvrager overneemt. Bij De Einder wordt een onderscheid gemaakt tussen artseneuthanasie en wat is komen te heten zelfeuthanasie. Onze visie is dat waar artseneuthanasie mogelijk is, de weg van de artseneuthanasie moet worden bewandeld. Vaak maken we echter mee dat er mensen zijn die in aanmerking komen voor artseneuthanasie, maar toch op onterechte gronden niet geholpen worden door de arts. Onze opzet is het er toe leiden dat de arts bereid is euthanasie toe te passen. Waar noch de arts noch de Levenseindekliniek daartoe bereid zijn, willen wij voorkomen dat mensen zich van gruwelijke methoden bedienen om dood te gaan. Die mensen verstrekken wij desgevraagd informatie over humane methoden van zelfdoding.

In Nederland kennen we jurisprudentie (1) over de vraag: wat is strafbare en niet strafbare hulp bij zelfdoding in eigen regie?
Wat is niet strafbaar? Voorlichting en informatie geven, gesprekken voeren en morele steun verlenen en dat laatste kan ook betekenen aanwezig zijn bij een overlijden.
Wat is wel strafbaar? Alles waarbij niet de hulpvrager maar de hulpverlener de regie voert; alles waarbij de hulpverlener de hulpvrager ‘instructies’ verstrekt. Wat is een instructie? Wij menen dat in de rechtspraak met instructie bedoeld wordt dat iemand opdracht gegeven wordt tot, aangezet wordt tot, gemanoeuvreerd wordt in de richting van zelfdoding. Deze verrichtingen vallen onder het begrip strafbare hulp bij zelfdoding in eigen regie. Maar iemand informeren over de methoden en middelen om op een humane wijze zijn leven te beëindigen is geen strafbare hulp bij zelfdoding in eigen regie.

Tussen deze twee gebieden van strafbare versus niet strafbare hulp ligt echter een grijs gebied waarvan we niet weten of het strafbaar is. Hoe actiever de hulpverlener opereert, hoe waarschijnlijker het risico wordt dat iets als strafbare hulp zal worden gekwalificeerd. De Einder opereert in het gebied van wat wel mag en in het grijze gebied waarvan niet vaststaat of het wel of niet mag omdat de wetsgeschiedenis noch de jurisprudentie zich daarover ooit hebben uitgelaten.

Grofweg kan gezegd worden dat er drie humane manieren zijn om een einde te stellen aan het leven:

  • versterven door geen voedsel of drank meer tot zich te nemen (dat is alleen geschikt voor zeer oude en verzwakte mensen; voor gezonde mensen is versterven geen humane methode)
  • inhaleren van heliumgas of stikstofgas
  • gebruik van medicijnen waarvan bijvoorbeeld chloroquine, een malariamiddel, onder de geneesmiddelenwet valt en een ander middel, bijvoorbeeld pentobarbital, onder de opiumwetgeving valt. Het is de hulpvrager die zijn keuze bepaalt; de hulpverlener verstrekt alleen objectieve informatie zonder daaromtrent te ‘adviseren’ of iemand in een bepaalde richting te bewegen. Als de keuze op medicijnen valt, zijn die veelal niet verkrijgbaar zonder de geneesmiddelenwet of de opiumwet te overtreden. In die gevallen wijst de hulpverlener er op dat de hulpvrager zich aan overtreding van de wet schuldig maakt en juridische risico’s loopt alsook dat de verantwoordelijkheid daarvoor geheel bij hem berust.

In de euthanasiewet in België wordt euthanasie omschreven als het actief beëindigen van het leven door een ander persoon. De Einder spreekt van zelfeuthanasie en artseneuthanasie. Zijn die termen officieel, wettelijk aanvaard?
Beide termen zijn geen juridische termen. Euthanasie in de zin van de euthanasiewet noemt De Einder artseneuthanasie en het bewerkstelligen van een goede dood in eigen regie noemen we zelfeuthanasie. De term zelfeuthanasie of auto-euthanasie, iemand wil dood en doet het zelf, zonder bemoeienis van een arts, is geloof ik voor het eerst gebruikt in 2007 door Boudewijn Chabot (2).
We hebben een proefproces gehad met Heringa (3), een man die zijn moeder geholpen heeft. In de annotaties van de uitspraak lees ik dat iemand helpen bij zelfdoding in handen van een arts moet blijven. Een familielid mag dit niet doen.

Er liggen momenteel twee voorstellen op tafel: een kabinetsplan en een initiatief van D66. In het ene voorstel is er sprake van een stervensbegeleider, in het ander van een levenseindebegeleider. De euthanasiewet is geënt op het beginsel dat er een medische oorzaak aan het lijden ten grondslag moet liggen; de door het kabinet en D66 geformuleerde voorstellen willen ook euthanasie in geval van existentieel lijden (lijden zonder medische oorzaak) mogelijk maken. Daar zou dan een ‘stervensbegeleider/ levenseindebegeleider’ aan te pas moeten komen die zonder arts te zijn, onder bepaalde en strikte voorwaarden een dodelijke pil mag verstrekken.

In Nederland zijn – buiten De Einder – verschillende organisaties/stichtingen actief rond levenseindebeslissingen. Bijvoorbeeld de nVVE, de Levenseindekliniek…. waarin onderscheidt De Einder zich van die andere?
Er zijn drie organisaties rond levenseindebeslissingen in eigen regie actief. Alle drie verstrekken zij informatie en individuele begeleiding. Bij de NVVE is een lidmaatschap vereist. De Einder is een ANBI, een algemeen nut beogende instelling. Vanwege haar maatschappelijke relevantie valt De Einder onder een fiscale status die onder meer donaties fiscaal aftrekbaar maakt. De Levenseindecounselors zijn een uit drie counselors bestaande beroepsorganisatie die geen ANBI-status heeft. Zij verstrekken hulp tegen vergoeding. De Einder is een vrijwilligersorganisatie die gratis info verstrekt en die, als mensen specifiek op hun persoonlijke problematiek toegespitste informatie wensen, doorverwijst naar zelfstandig opererende consulenten die, net als de levenseindecounselors, op declaratiebasis werkzaam zijn. Wij hebben nu zeven consulenten en eind 2017, wanneer de training van de in opleiding zijnde consulenten is voltooid, zal dat aantal nog toenemen.

Onder onze consulenten bevindt zich een dokter, een psycholoog, een psychotherapeut, en ik geloof ook een humanistisch raadsman. Ze moeten minstens HBO-niveau hebben.

Alle hulpvragen die aan De Einder gericht zijn komen terecht bij onze casemanager, dat is een gepensioneerd arts. Zij brengt desgevraagd de hulpvrager in contact met de consulent, rekening houdend met de woonplaats en de problematiek van de hulpvrager. Hulpvragers en consulenten maken onderling afspraken over tussenkomst, reiskosten en consultaties. Onze consulenten verplaatsen zich alleen binnen Nederland en reizen niet af naar het buitenland. Indien buitenlanders – veel Belgen en Duitsers doen beroep op ons – met een consulent willen praten, moeten deze mensen naar Nederland komen. Voor algemene informatie die niet door consulenten maar door De Einder zelf wordt verstrekt, kunnen zij ermee volstaan van de telefoon of de e-mail gebruik te maken.

De tendens in Nederland is om de medicus steeds minder te betrekken bij de levenseindeproblematiek. Zelf vind ik dat geen goede ontwikkeling. Dat de opleiding van een medicus niet altijd de meest geëigende is om mensen met een doodswens op te vangen, daar ben ik het mee eens. Maar diegene die mensen een doodspil verstrekt, moet in mijn visie ook medisch/farmacologisch gevormd zijn. Als daartoe in de wet de keuze op een medicus valt, dan heeft in mijn visie die medicus extra opleidingen nodig en dient hij over extra competenties te beschikken. Hij moet met existentiele problematieken en met sociaalmaatschappelijk werk vertrouwd zijn, psychologisch inzicht hebben, misschien zelfs filosofisch of antropologisch geschoold zijn. Kortom hulpverleners die mensen met een doodswens begeleiden moeten allround, van alle markten thuis zijn.

Jullie hebben hier in Nederland ook de Levenseindekliniek?
De Levenseindekliniek vangt mensen op die bij hun arts niet terecht kunnen omdat deze persoonlijke bezwaren tegen euthanasie heeft. Helaas zijn er nog veel van die artsen met persoonlijke bezwaren tegen euthanasie waardoor de Leveneindekliniek niet de capaciteit heeft om alle mensen op te vangen die bij hun eigen arts bot vangen. De Einder verschilt onder meer hierin van de Levenseindekliniek dat zij geen euthanasie uitvoert noch euthanatica verstrekt.

Begin september ontstond er nogal wat ophef rond de bekendmaking van Coöperatie Laatste wil (CLw) dat een gemakkelijk verkrijgbaar middel zou toelaten om euthanasie in eigen regie uit te voeren. Men zou enkel 6 maanden lid moeten zijn van CLw om de naam van het middel te verkrijgen. In België waren de reacties hierop eerder negatief. Hebt u meer info hierover en wat is het standpunt van De Einder hieromtrent?
Het middel waarmee de Coöperatie Laatste Wil in de publiciteit gekomen is, betreft een in laboratoria gebruikt conserveermiddel. Het is – op dit moment nog steeds – legaal verkrijgbaar (alleen via digitale bestelling bij de groothandel), kost weinig en bezorgt een zekere en relatief vredige dood. De Coöperatie Laatste Wil zal het middel niet zelf verstrekken. Alleen informatie daarover zal over afzienbare tijd bij voornoemde coöperatie verkrijgbaar zijn: het verstrekken van middelen die de dood veroorzaken kwalificeert in Nederland als strafbare hulp bij zelfdoding in de zin van artikel 294 Sr, vandaar dat noch de Coöperatie noch andere organisaties die actief zijn op het terrein van een humane dood in eigen regie het middel aan hulpvragers zullen verstrekken.

Voor meer informatie over hoe de naam van het conserveermiddel te achterhalen, kan het beste de website van CLW http://www.laatstewil.nu/faq/nieuws/ worden geraadpleegd. De Coöperatie beschikt voor buitenlanders over een handleiding hoe zij zich lid kunnen maken.

Achter de schermen wordt onder aanverwante organisaties als De Einder, NVVE en Exit International zo mogelijk in overleg met CLW nagegaan hoe op de meest zorgvuldige wijze aan het middel bekendheid kan worden gegeven. Naar verwachting zal De Einder daarover alleen desgevraagd informatie verstrekken en het niet her en der ongevraagd gaan promoten. Meer openheid van zaken kan ik op dit moment niet geven: we bewegen ons op het terrein van leven en dood en daarbij mag niet over één nacht ijs worden gegaan.

Kan iedereen met een vraag rond zelfeuthanasie bij u terecht?
Leeftijdsbeperking, nationaliteit, dementerenden ….?
De taal kan soms een barrière vormen voor mensen uit bijvoorbeeld Japan, Rusland …. om bepaalde finesses in woorden duidelijk te maken, is communicatie in liefst je eigen moedertaal belangrijk. Afgezien daarvan kan iedereen bij ons terecht.
Wat adolescenten betreft, is onze visie dat het brein pas volwassen is op vijfentwintigjarige leeftijd, dus zo iemand moet je niet voeden met informatie over hoe hij uit het leven kan stappen. Zo iemand is gebaat bij een psychotherapeut die therapie als oogmerk heeft. Wanneer er sterke indicaties zijn dat de betrokkene bijvoorbeeld onder de trein dreigt te springen, kan altijd nog nagegaan worden of voorlichting over humane zelfdodingsmethoden op zijn plaats is.

Als het om dementerenden gaat, geldt dikwijls dat zij niet meer uitvoeringsbekwaam zijn: zij kunnen niet meer zonder hulp een heliumtank bedienen of weten niet meer waar zich hun dodelijke medicijnen bevinden en hoe zij die moeten innemen. Wij vinden het belangrijk dat daar dan familieleden bij betrokken worden, waarbij die familieleden worden voorgelicht over welke hulp zij nog wel zonder risico kunnen bieden en vanaf waar zij zich op het terrein van strafbare hulp bij zelfdoding begeven. Zij moeten beslissen wat zij voor hun familielid over hebben.

Ook voor misdadigers en gevangenen met een stervenswens die zich niet naar een consulent kunnen begeven, staan wij open. Als zij daar via bijvoorbeeld hun advocaat om vragen, krijgen ook die mensen informatie.

Voorts is het zo dat er dikwijls artsen met ons contact opnemen om moeilijke vragen te beantwoorden of om iemand naar (een consulent van) De Einder door te verwijzen. Die artsen kunnen op al onze knowhow beroep doen en laten daarover veelvuldig hun erkentelijkheid blijken.

Bij permanenties krijgen wij soms telefoon uit bijvoorbeeld new york van mensen die denken dat zij hier zo maar ‘op bestelling’ terecht kunnen voor een euthanasie. Misschien kunnen wij die mensen voor informatie bijvoorbeeld naar De Einder doorverwijzen?
Algemene informatie in het Engels of het Duits kunnen wij verstrekken maar meestal verwijzen wij die mensen naar Exit International, een Australische organisatie opgericht door Philip Nitschke die via de website vrij veel informatie verschaft. Het eerste contact dient altijd te geschieden via ons e-mailadres begeleiding@deeinder.nl of via een brief naar ons postbusadres. Al die schriftelijke hulpvragen komen terecht bij onze casemanager die op basis van de inhoud vervolgens contact opneemt via telefoon of mail. Als iemand aangeeft telefonisch dan wel schriftelijk contact te wensen, houdt de casemanager daar rekening mee.

RwS is pluralistisch. welk gedachtengoed volgt De Einder?
De Einder is ontstaan vanuit het Humanistisch Verbond. De aanleiding voor de oprichting van De Einder waren twee kort opeenvolgende zelfdodingen van jonge mensen. Vanuit het Humanistisch Verbond hebben toen enkele leden gezegd: als er voor deze mensen inderdaad geen alternatief meer is, hebben zij recht op informatie die hen toelaat zo menswaardig mogelijk heen te gaan, zodat ze niet op gruwelijke methoden aangewezen zijn. Hoewel ontstaan vanuit het humanisme, is ons gedachtengoed pluralistisch, iedereen kan komen, wij vragen niet naar geloofsovertuiging.

In Nederland ontstond er heel wat beroering rond het wetsvoorstel Voltooid Leven. Daarin zou een belangrijke rol weggelegd zijn voor de levenseindebegeleider. Hebt u bezwaren tegen dit wetsvoorstel?
Wij hebben geen bezwaren tegen het wetsvoorstel geformuleerd. Er is het kabinetsplan van Edith Schippers en de initiatiefwet van Pia Dijkstra. Wij steunen beide voorstellen. Uiteraard zijn wij het met de tegenstanders van die voorstellen eens dat als mensen willen doodgaan omwille van een maatschappelijk probleem waarvoor een oplossing bestaat, je een maatschappelijke oplossing voor dat probleem moet aandragen. Een andere kritiek van de tegenstanders is dat door een Voltooid Leven Wet ouderen een druk zullen voelen om hun leven te beëindigen. En dat is niet de bedoeling van de op tafel liggende plannen. Je mag mensen die graag leven niet het gevoel geven dat ze er eigenlijk niet meer toe doen. Daarom vind ik het goed dat er nog een tijdje over de voorstellen van het kabinet en van D66 gedebatteerd gaat worden.

Ook aan de Belgische euthanasiewet schort een en ander, maar eer daar iets aan verandert…
Probeer de discussie op gang te brengen, maar maak er een doorwrochte discussie van zodat je alle argumenten van zowel voor- als tegenstanders bekijkt. En ga na hoe terechte bezwaren van tegenstanders kunnen worden ondervangen.

Als we het juist begrijpen, volgt het kabinet de adviescommissie Schnabel, (opgericht door de ministeries van Volksgezondheid en justitie) niet. Het kabinet stelt dat de ‘voltooid leven’-problematiek gedekt wordt door de euthanasiewetgeving omdat het meestal gaat om een opstapeling van ouderdomsklachten. klopt het dan, zoals de commissie beweert, dat de groep van mensen zonder al die ouderdomskwalen en die enkel lijden aan het leven, verwaarloosbaar is? Is dat aantal onderzocht?
Het kabinet zegt dat de euthanasiewetgeving vereist dat er op de een of andere manier een medische oorzaak is, terwijl in een klein aantal gevallen er geen medische oorzaak is, maar een existentiële. In de huidige euthanasiewetgeving is het zo dat mensen wiens doodswens uitsluitend een existentiële oorzaak heeft, buiten de boot vallen. Zij komen niet voor euthanasie in aanmerking, want de euthanasiewet eist dat hun lijden medisch gerelateerd moet zijn. Toch zijn er mensen, en dat is een kleine categorie geef ik grif toe, die medisch niets mankeren, maar die existentieel lijden. Voor die mensen is onze Nederlandse euthanasiewet niet voldoende. Vandaar dat het kabinet zegt dat we een wet moeten hebben waarin ook de doodswens van mensen met existentieel lijden gelegaliseerd wordt.

De commissie Schnabel zegt eigenlijk: ‘Neen, niet doen, want je gaat de euthanasiewet uithollen en eigenlijk is het merendeel van die mensen die uitsluitend existentieel lijden, een veel te kleine categorie om daarvoor de wet te wijzigen. Mensen met uitsluitend existentieel lijden moeten de overheid niet lastig vallen, ze kunnen het zelf doen via de zogenaamde ‘autonome route’, te weten versterven, de heliummethode of medicijnen’. Maar voor veel mensen zijn deze drie autonome wegen die de commissie Schnabel noemt, niet haalbaar en zijn zij op hulp van anderen aangewezen.

In het geval van – over het algemeen illegaal dan wel op de zwarte markt verkregen – medicijnen overheerst bijvoorbeeld veel angst: heb ik wel de juiste medicijnen, ga ik er bijvoorbeeld niet met hersenletsel uit komen? Waarom dat niet allemaal in de legaliteit trekken? Laat mensen die aan het einde van hun krachten zijn, vredig uit het leven stappen. Voorkom dat ze zich op hoge leeftijd nog het gebruik van encrypted mails en bitcoins dienen aan te leren om op de zwarte markt hun medicijnen te bestellen en te betalen of dat zij een beroep moeten doen op hun naasten die zich dan blootstellen aan strafbaar handelen. Zorg voor een wet die mogelijk maakt op humane wijze dood te gaan. Daar heeft de commissie Schnabel geen oog voor.

In een artikel begin dit jaar in de Volkskrant, stelt u dat 80% afziet van euthanasie na een gesprek met een consulent, ook als zij de middelen al in huis hebben. Is de rol van een consulent dus toch van zeer groot belang?
Wat we merken, is dat het feit dat mensen de informatie hebben, vaak al zo geruststellend is, dat ze veel opgeluchter doorgaan met leven en dat is niet alleen de constatatie van De Einder, maar dat is zo bij alle organisaties die op dat terrein werkzaam zijn over de hele wereld.

Ook over koppels die samen uit het leven willen stappen hebt u verschillende bedenkingen. kan u dat wat meer duiden?
Wij hebben een paar zelfdodingen van koppels gehad die heel mooi waren. Dat trekt dan de pers. ‘Samen Dansend zijn ze uit het leven gestapt ‘, luidde de titel van het krantenartikel in het Algemeen Dagblad twee jaar geleden. Al snel krijg je dan koppels die dat ook willen. Het Werther-effect van Goethe gaat spelen. Dat moeten we voorkomen.

Van de koppels die zich tot De Einder wenden, merk je soms dat één van hen druk uitoefent op de ander om er samen uit te stappen terwijl die ander niet opgewassen is tegen die druk. En ook gebeurt het regelmatig dat mensen op hun vijftigste de wens hebben om te zijner tijd samen dood te gaan maar daar op hun tachtigste anders tegenover staan. Dat is de reden dat wij zeggen ‘tot het zover is’. Bij mensen die elkaar in het verleden beloofd hebben samen te sterven, zie je bij tijd en wijle dat de een op de ander een moreel appel doet, in de zin van: ‘je hebt het beloofd’. Zo’n belofte is er niet om te worden nagekomen, daar mag je niemand aan houden en niemand mag jou daar aan houden. Er zijn mooie zelfdodingen van koppels , maar wij zien niet graag dat die zelfdodingen verheerlijkt worden. Zoals gezegd, vanwege het Werther-effect.

Volgt u de mensen die een beroep deden op de Einder daarna nog op?
Aan mensen die naar een consulent worden doorverwezen, wordt gevraagd om de contacten met de consulent te onderhouden en hem van een eventueel overlijden op de hoogte te stellen. Hoe vaak dat gebeurt, is mij niet bekend.

Hoe ziet u de euthanasiewet evolueren in de toekomst?
Ik denk dat euthanasie bij voltooid leven naarmate de tijd voortschrijdt steeds vanzelfsprekender gaat worden. Etienne Vermeersch heeft daar recentelijk een interview over gegeven: “Euthanasie bij levensmoeheid komt er. Gegarandeerd.”

Tot besluit: een mens lijdt het meest door wat hij vreest. Door de angst voor lijden dat wellicht nooit komt. Angst die zijn leven kan tekenen. Heel veel onrust kan voorkomen worden door mensen die met angst leven goed te informeren. Eenmaal goed geïnformeerd is er voor angst vaak geen plaats meer.

Mireille Fourneau en Rita Goeminne
Redactieraad RWS

  1. de jurisprudentie: uitspraken van rechters waaruit blijkt hoe ze denken over de toepassing van bepaalde wetten.
  2. Boudewijn Chabot: is een Nederlandse psychiater-psychotherapeut die bekendheid kreeg vanwege zijn betrokkenheid in de maatschappelijke discussie omtrent het zelfgekozen levenseinde.
  3. Heringa: Albert Heringa (74) die zijn 99-jarige moeder in 2008 hielp met sterven toen een arts haar uitzichtloze lijden niet wilde beëindigen.

Nederland spil bij humane zelfdoding

Artikel uit het NRC, 14 oktober 2017: Mensen die willen sterven op een zelfgekozen moment en zonder arts, gaan wereldwijd op zoek naar een dodelijk middel. NRC volgt hun spoor.

Dodelijk poeder in een feestelijke envelop

Mensen die willen sterven op een zelfgekozen moment en zonder arts, gaan wereldwijd op zoek naar een dodelijk middel. NRC volgt hun spoor, van een woonboot in Noord-Holland tot in Peru.

De eigenaar van de kleine dierenspeciaalzaak heeft zijn vettige haren bijeengebonden in een dun staartje. Zijn winkel zit aan een druk verkeersknooppunt in Lima, de hoofdstad van Peru. Op straat worden gepofte maiskolven, broodjes kip en versgeperste ananassapjes verkocht, binnen hangen hondenriemen aan het plafond en staan grote zakken met granen en zaden over de vloer verspreid. Achter de balie staat een kleine televisie. Die gaat iets harder als de clip van een Peruaanse klassieker voorbijkomt.

De oranje-witte doosjes staan achterin. De meeste winkeliers keken verschrikt op als ze ernaar gevraagd werden. Bij één hing een briefje aan de muur, speciaal voor toeristen: dit wordt niet verkocht.

Maar deze man schuift het doosje over de balie en tikt hard op zijn rekenmachine. 45 Peruaanse Sol: 11,50 euro.

„Caballero”, zegt hij. „Wil je niet méér flesjes?”

Het is volgens de verpakking een verdovingsmiddel voor katten, paarden, runderen, schapen, varkens en Zuid-Amerikaanse kameelachtigen als de alpaca, dat normaal gesproken wordt gekocht door dierenartsen. Maar dat is niet de reden dat mensen van over de hele wereld naar deze straathoek in Lima komen. Het middel bevat de werkzame stof die Nederlandse artsen bij een ‘officiële’ euthanasie gebruiken.

Anders gezegd: het drankje kan mensen een ‘vredig’ en ‘pijnloos’ levenseinde bezorgen, zonder tussenkomst van een arts.

Wereldwijde handel

Peru is slechts één van de plekken waar zo’n soort middel te verkrijgen is. In verschillende Zuid-Amerikaanse landen zijn drankjes te koop, via een speciaal e-mailadres kan een zak poeder uit China worden besteld en vanuit Mexico komen poeders en pillen. De verkoopadressen, wereldwijd ongeveer 30 fysieke adressen en meerdere e-mailadressen voor een postorderservice, zijn opgesomd in het Peaceful Pill Handbook. Dat is het standaardwerk over ‘humane zelfdoding’ van de Australische ex-arts Philip Nitschke. Over de hele wereld sterven mensen met hulp van de informatie uit zijn boek.

Ook in Nederland. Uit een voorzichtige schatting die dit jaar in de derde evaluatie van de euthanasiewet stond, overleden in 2015 ongeveer 280 mensen door zelfdoding met middelen die ze hebben opgespaard of in het buitenland hebben gekocht. Meer recente cijfers zijn er niet.

Volgens de euthanasiewet (2002) moeten twee artsen onafhankelijk van elkaar constateren dat de patiënt ‘uitzichtloos’ en ‘ondraaglijk’ lijdt voordat euthanasie uitgevoerd mag worden. Maar een groep die vooral bestaat uit ouderen neemt het levenseinde in eigen hand. Naast onze wettelijk geregelde euthanasiemogelijkheden is er een sluiproute ontstaan die de controle door medici omzeilt.

Het fenomeen heeft zich diep genesteld in de samenleving. Grote belangenverenigingen voor euthanasie zijn deze mensen gaan helpen. Hun leidraad is het boek Uitweg van ouderenpsychiater Boudewijn Chabot (meer dan 21.000 exemplaren verkocht), dat zeer expliciet beschrijft hoe zelfdoding gepleegd kan worden met zelf verworven middelen. In Uitweg staat niet waar de euthanatica te koop zijn; daarvoor raden belangenverenigingen Nitschkes Peaceful Pill Handbook aan.

Ook de invloedrijke Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), met 167.000 leden ook de grootste, heeft het omarmd. Jarenlang wilde de vereniging het boek – evenals Uitweg – niet aanraden, omdat wettelijk geregelde euthanasie via een arts het uitgangspunt was. Nu is dat anders. Als mensen bellen met vragen over ‘zorgvuldige zelfdoding’, verwijst de NVVE standaard naar het handboek van Nitschke. Dat gebeurde in de eerste zes maanden van dit jaar ruim 300 keer. Bijna 70.000 mensen zochten via de NVVE-website naar informatie over ‘humane zelfdoding’.

Zo is in Nederland een beweging ontstaan van ongeveer 60 ‘levenseindebegeleiders’, van wie 44 werkzaam namens de NVVE, die een verwijzing naar het handboek hebben opgenomen in hun standaard werkwijze.

Nederland heeft zich de afgelopen jaren bovendien ontwikkeld tot de spil van Philip Nitschkes internationale beweging, die ‘humane zelfdoding’ propageert. Zijn handboek wordt gezet en gebonden in een Nederlandse drukkerij. De Nederlandse vertaling komt vermoedelijk nog dit jaar uit. En sinds twee jaar stuurt Nitschke zijn beweging aan vanuit een woonboot in de buurt van Haarlem. Waar precies mag niet bekend worden; Nitschke is in het verleden meer dan eens bedreigd.

Het Openbaar Ministerie (OM) en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ, voorheen Inspectie voor de Gezondheidszorg) kennen de werkwijze van Nitschke. Zij laten hem met rust.

Noord-Holland: de woonboot van Dr. Death

In de deuropening van zijn woonboot verschijnt Philip Nitschke (70) in een blauw-wit geruit overhemd, een donkerblauw pochet in de borstzak. Hij woont hier nu twee jaar, samen met zijn vrouw Fiona Stewart (51). Aan tafel, achter een laptop met sticker van zijn stichting Exit International (opschrift: ‘I’d rather die like a dog’) praat hij luchtig, veel grapjes makend, met een vet Australisch accent. Gaat hij koffie zetten of naar de wc, dan kletst hij gewoon door.

Philip Nitschke


Vanaf hier heeft Nitschke contact met mensen over de hele wereld, die hij advies geeft over levensbeëindiging. In ieder land is de wetgeving over euthanasie en zelfdoding anders, maar altijd balanceert hij op de grens van ‘hulp bij zelfdoding’, wat bijna overal strafbaar is.

In de wereld van euthanasie is hij even beroemd als berucht. In september 1996 werd hij de eerste arts ter wereld die betrokken was bij een legale euthanasie, toen hij die toepaste bij zijn terminaal zieke Australische patiënt Bob Dent. Dat was mogelijk door de Rights of the Terminally Ill Act, die even daarvoor was aangenomen in het Australische Noordelijk Territorium. Nitschke had zich voor die tijd al uitgesproken als groot voorstander van euthanasie. Toch deed het hem veel. „Ik was doodsbang”, zegt hij. „Voelde me een bloody executioner.”

Drie andere euthanasiegevallen volgden. Tot dan toe had hij drugsverslaafde jongeren behandeld, en hij was van plan dat werk weer op te pakken – andere artsen mochten de euthanasie overnemen. Tot de federale overheid nog geen half jaar later een streep zette door de regionale euthanasiewetgeving.

Toen begonnen de telefoontjes. Tientallen mensen die advies wilden over een pijnloos levenseinde. Ineens was hij dé euthanasievoorvechter van Australië. Hij zag het als een uitdaging en nam die aan.
Hij reisde Australië rond om in gesprek te gaan met ouderen en vertrok naar Mexico nadat hij had gehoord over een daar verkrijgbaar middel waarmee mensen pijnloos een einde aan hun leven konden maken. Hij noteerde namen van winkels en verkopers en adviseerde mensen erover. Sommigen reisden af om het spul te kopen. Het werd zijn levensdoel: mensen helpen op een ‘humane manier’ te sterven.

Pil van Drion

De opkomst van Philip Nitschke als activist van het zelfgekozen levenseinde hangt nauw samen met de euthanasiediscussie in Nederland. Kort nadat hij voor de eerste keer euthanasie had toegepast, las hij een vertaling van een artikel dat jurist Huib Drion in 1991 schreef in NRC Handelsblad. Daarin pleitte de voormalig vicepresident van de Hoge Raad voor een middel waarmee ouderen zelf uit het leven zouden kunnen stappen „op het moment dat hen dit […] passend voorkomt”.

Zijn idee, bekend geworden als de ‘Pil van Drion’, is nooit ten uitvoer gebracht. Maar Nitschkes handboek komt in de buurt.

„Ik was zeer onder de indruk van dat artikel”, zegt Nitschke. Hij stuurde de jurist een brief met de vraag of hij langs mocht komen. Hij laat een foto zien van hun ontmoeting in 1997, in Drions huis in Den Haag. Daar betoogde Drion dat het zelfgekozen levenseinde in zijn visie een recht is, geen privilege dat een dokter moet verlenen. Nitschke was geraakt. Die Nederlandse jurist zei precies wat hij voelde.

Langzaam keerde Nitschke zich daarna tegen betrokkenheid van artsen bij euthanasie, ook al was hij zelf zo’n arts geweest. Het handboek was een idee van zijn geliefde. Zij, Fiona Stewart, reist nu door Europa om contact te onderhouden met mensen die werken aan de vertalingen in het Duits, Spaans, Frans, Italiaans en Nederlands. Nitschke geeft over de hele wereld workshops en is vaak op pad om te controleren of de verkoopadressen uit hun boek nog open en betrouwbaar zijn.

Het stel leeft van de inkomsten van hun boek. Ze willen niet zeggen hoeveel ze er precies aan verdienen, of hoeveel boeken ze verkopen. Wereldwijd hebben zo’n 20.000 mensen een abonnement op de online versie (bijna 70 euro), die steeds wordt ververst met nieuwe adressen en ontwikkelingen in de wereld van ‘humane zelfdoding’.

In de eerste versie van het Peaceful Pill Handbook, uit 2006, stonden geen adressen van euthanatica-leveranciers. Er stond wel in dat mensen in Mexico terecht konden. Bestellen via internet, nu zeer populair, kon nog niet. China was voor dit doel nog niet ontdekt, net zo min als Peru en andere Zuid-Amerikaanse landen. Nitschke organiseerde reizen naar Mexico, waar de middelen werden ingeslagen.

Hij kreeg vijanden. In Australië en Nieuw-Zeeland werd zijn boek direct verboden door de overheid. De pro life-beweging en christelijke groeperingen zetten hem onder zware druk – van hen komt de bijnaam Dr. Death. Bijna altijd werden felle protesten georganiseerd als hij ergens kwam spreken. In Dublin, 2011, stond een groep demonstranten met grote kartonnen borden: ‘Lock up your grannies. Dr. Death is here’. In hun thuisland was de druk op Nitschke en Stewart uiteindelijk zo groot, dat ze twee jaar geleden besloten te verhuizen.

Het echtpaar houdt van het uitzicht op de weilanden en de rust in hun Noord-Hollandse woonplaats. Natúúrlijk werd het Nederland. Geen land ter wereld, vinden zij, heeft zo’n „fantastische” reputatie op het gebied van euthanasie. „Daar moeten jullie echt trots op zijn”, zegt Nitschke een paar keer. Belangrijker nog: hier zijn ze verzekerd van steun door belangenverenigingen en zijn er levenseindebegeleiders die hun boek hebben omarmd. Nitschke: „Zo’n sterk netwerk, dat is voor ons geweldig.”

Velp: praktijk van de levenseindebegeleider

In het kantoor van dr. Ton Vink (64), gepromoveerd filosoof, staan drie grote multomappen in een blankhouten kastje. Dossiers van overledenen. Hij zit aan een tafeltje in de werkruimte, op de eerste verdieping van zijn woonhuis in Velp. Al vroeg in het gesprek pakt Vink het Peaceful Pill Handbook van Philip Nitschke uit zijn tas. Het speelt een centrale rol in zijn werk.

Vink, een praatgrage man met een vrolijke uitstraling, begeleidt sinds twintig jaar mensen in hun laatste levensfase. ‘Levenseindecounselor’ noemt hij zichzelf. Vroeger had hij vooral gesprekken over levensvragen waarmee zijn cliënten worstelden in hun laatste fase. De zin van het leven, angst voor de dood, het hiernamaals.

Dat evolueerde tot een praktijk waarin hij mensen informeert over hoe ze hun eigen levenseinde kunnen regisseren (voor 150 euro per consult). Hij stelt zich op als onafhankelijk adviseur – zodra mensen beginnen over psychische klachten, zegt hij hen aan te raden ook een psychiater te bezoeken. Mensen vertrekken na een consult ook vaak met een verwijzing naar de adressen om euthanatica te kopen uit het Peaceful Pill Handbook.
Ook Vink balanceert op de grens van de niet-toegestane hulp bij zelfdoding. Het Openbaar Ministerie heeft als uitgangspunt, zo laat de instantie weten, dat het verstrekken van algemene informatie over zelfdoding of het bieden van morele steun niet strafbaar is. Mensen verwijzen naar het Peaceful Pill Handbook, of Uitweg, mag. Alles wat verder gaat, kan strafbaar zijn. Het importeren van euthanatica mag niet: hiervoor kan in het uiterste geval een gevangenisstraf van zes jaar worden opgelegd. Dat gebeurde, voor zover bekend, nog nooit.

Eén keer botste Vink hard met justitie. In 2007 eiste het OM acht maanden cel (waarvan vijf voorwaardelijk), omdat hij bij een counseling ‘sturend’ zou hebben opgetreden. Hij zou een cliënt te gedetailleerde instructies hebben gegeven. De rechter sprak hem vrij: hij kreeg „het voordeel van de twijfel”. Tegenwoordig zou zo’n aanklacht sowieso geen stand houden, denkt Vink. „De informatie die ik geef is nu zo publiekelijk verkrijgbaar… Ik beschik nergens over, behalve over ervaring.”

Informatie over adressen waar euthanatica te krijgen zijn, geeft Vink pas na een uitgebreid gesprek – het liefst in aanwezigheid van familie of vrienden.

Ton Vink heeft alles meegemaakt.

Mensen met beginnende dementie die uit het leven willen stappen voordat ze hun geliefden niet meer herkennen. Jongeren met psychische problemen die samen met hun ouders op consult komen. Er komen ook wel eens telefoontjes vanaf een gesloten ggz-afdeling, van mensen die niet verder willen. Daar trekt Vink een grens: hij begeleidt alleen mensen die over zichzelf kunnen beschikken.

Hij adviseert ongeveer 120 mensen per jaar en schat dat een op de tien uiteindelijk kiest voor ‘humane zelfdoding’. De meeste ouderen, zegt hij, willen helemaal niet meteen dood. Ze willen iets in hun medicijnkastje hebben voor het geval dat. Hij denkt dat die groep groeit.

De gesprekken besluit Vink altijd met hetzelfde verzoek: of hij een rouwkaart kan krijgen als er voor zelfdoding gekozen is, en of de naasten hem kunnen vertellen hoe het is gegaan. Als er een kaart in de brievenbus valt, stopt Vink die bij het dossier en bergt hij dat op in een van de multomappen.

Rotterdam: de uitwerking van de middelen

Ruim anderhalf jaar geleden kwam er zo’n rouwkaart, uit Rotterdam. Op voorwaarde van anonimiteit wil een nabestaande, haar schoonzoon, aan NRC erover vertellen. De vrouw overleed met poeder dat ze zelf in China bestelde. De import en het bezit van dat poeder zijn illegaal en de schoonzoon wil er geen last mee krijgen. De naam van de man is bekend bij de redactie, zijn verhaal wordt ondersteund door enkele documenten en door twee andere betrokkenen – met hen sprak NRC ook. De man vertelt met een kop koffie, op een gemakkelijke stoel, in een café op Rotterdam Centraal.

Zijn schoonmoeder was altijd huisvrouw geweest. Had een jaarkaart bij alle culturele instellingen in de stad, was betrokken bij wijk- en buurtcomités. Haar man was al jaren geleden overleden. Toen ze de tachtig had gepasseerd, werd ze slecht ter been, raakte snel vermoeid, kon niet meer naar het theater. Wegens incontinentie wilde ze ook minder vaak de deur uit. Ze vroeg haar huisarts of hij open zou staan voor euthanasie. Dat was niet het geval – hij is rooms-katholiek.

Haar schoonzoon legde contact met Ton Vink. Die stapte op de trein naar Rotterdam en praatte ruim drie uur met het gezin in de kleine aanleunwoning van de vrouw. Haar dochter en schoonzoon waren erbij.

Vink vertelde gedetailleerd wat ze te wachten stond. Hoe een bestelling in China zou verlopen, waar ze op moest letten bij het innemen van het middel. Na anderhalf uur viel de vrouw in slaap; Vink vertelde de rest aan haar dochter en schoonzoon.

Het poeder kwam in een dikke envelop en kostte 400 dollar. De Chinese afzender had gedaan alsof het ging om pigment, bedoeld voor een timmer- en schilderbedrijf. In de envelop zaten gestempelde papieren met certificaten die de echtheid van het ‘pigment’ bevestigden. Het spul ging de medicijnkast in. Het duurde een jaar voor de vrouw besloot uit het leven te stappen.

Dat was op een zaterdag. Dochter en schoonzoon kwamen naar de aanleunwoning. Er werden grapjes gemaakt – ze waren altijd vrolijk en ontspannen met elkaar omgegaan. Aan het eind van de middag bestelden ze eten van de Chinees, haar favoriet. Ze haalden herinneringen op, keken nog wat televisie. Totdat schoonmoeder zei: ik wil naar bed. Dat was rond 21.00 uur. Ze poetste haar kunstgebit en ging liggen.

Het poeder uit China ging door een kom vanillevla. In een paar happen was het weg. Ze had nog zin in een peukje, zei ze. Dochter zei: ma, roken in bed, dat doen we niet. Er werd gelachen. Ze fluisterden tegen elkaar. Ga maar, ik hou van je. Toen viel de vrouw in slaap. Twintig minuten later was er geen hartslag meer.
Dochter en schoonzoon liepen gearmd de woonkamer in. Wat een sterk wijf, zeiden ze tegen elkaar. Op de bank rookten ze een sigaretje. Toen belde hij naar de huisartsenpost. „Mijn schoonmoeder is overleden. Het was geen natuurlijke dood, het gaat om een zelfeuthanasie.”

Er kwam een politieauto. Drie agenten. Ze wilden geen koffie.

In een op tafel achtergelaten brief had de vrouw geschreven dat ze „zelfeuthanasie” had gepleegd, dat ze niet was geholpen en dat het een vrije keuze was. Schrijf dat maar op in een paar mooie volzinnen, had Ton Vink aangeraden. Dochter en schoonzoon vertelden de agenten het verhaal. De schouwarts kwam om het lichaam te onderzoeken – dat is de normale praktijk, blijkt uit navraag bij Openbaar Ministerie en het Forensisch Medisch Genootschap.

Vanuit de woonkamer konden de twee horen dat de schouwarts en de agenten met elkaar overlegden. Spannend, want het poeder was illegaal aangeschaft. En: als de agenten zouden denken dat ze geholpen hadden bij het innemen van het middel, konden ze in de problemen komen. Het is de taak van de schouwarts om verslag uit te brengen aan de officier van justitie.

Het was bijna 03.00 uur ’s nachts toen de agenten naar de deur liepen. Op dat moment kreeg het stel een hand: „Gecondoleerd met uw verlies”. Een uur later kwam de lijkwagen. De begrafenisonderneming liet een witte roos achter op het bed.

Van het Openbaar Ministerie werd nooit meer iets vernomen.

Op de begrafenis vermoedden veel mensen wat er was gebeurd, maar niemand wist het zeker. Alleen de kinderen en schoonzoon van de vrouw waren op de hoogte. Op de rouwkaart stond alleen dat ze „in alle waardigheid” was gestorven. Later vertelden ze het aan een paar vrienden. Met weinig details, want ze merken dat het voor sommige mensen gevoelig ligt. Maar altijd zeggen ze: een mooiere dood, dat is voor ons niet denkbaar.

Ton Vink kreeg niet veel later bericht van het overlijden. Dat vindt hij „prettig”. Het is, vertelt hij, voor hem de verzekering dat de middelen uit de bronnen die hij aanraadt ook echt werken.

Poeder in de kelder

Want in deze schaduwwereld bestaat de angst voor een ander scenario. In het boek Uitweg wordt een aantal gevallen (uit binnen- en buitenland) beschreven van mensen die niet overleden na het innemen van dodelijke middelen, of een zeer pijnlijke dood stierven. Het gaat daarbij niet om de middelen uit het Peaceful Pill Handbook en het ging altijd om mensen die fouten maakten bij de uitvoering.

Toch knaagt de twijfel aan Jannes H. Mulder (77), een gepensioneerd oncoloog die zelf als arts meerdere keren betrokken was bij een euthanasie. Van 1987 tot 2005 was hij topambtenaar op het ministerie van Volksgezondheid. Hij werkte er nog onder D66-minister Els Borst, die de Euthanasiewet invoerde.

Mulder zit aan een tafeltje in het café van de Kunsthal in Rotterdam en haalt een dikke envelop, afgestempeld in een Chinese miljoenenstad, uit een linnen tasje.

De kaart in de envelop is vermomd als feestdagenkaart – „Happy Holidays” staat erop, en er zit een matroze kaart in, met bloemen erop. Daaraan vastgeplakt een stevig plastic zakje met een aanzienlijke hoeveelheid wit poeder. Het poeder komt van een leverancier die in het Peaceful Pill Handbook staat.

Het is voor twee personen, merkt Mulder droogjes op. Het ligt al een paar jaar in de kelder. Mulder en zijn vrouw willen het nog helemaal niet gebruiken; ze genieten volop van het leven en zijn in goede gezondheid. Maar ze zouden wel graag zeker weten of het werkt. Dat anderen vredig zijn gestorven met spullen van dezelfde leverancier zegt niets over de inhoud van dit zakje poeder, vindt hij. „Ik wil dit zelf doen. Maar ik wil geen verschrikkelijke dood riskeren.”

Garanderen de middelen van leveranciers uit het Peaceful Pill Handbook een snelle en pijnloze dood? Niet alleen de kopers willen dat weten; ook voor belangenverenigingen en levenseindebegeleiders is dat cruciaal.

Zelf weten de levenseindebegeleiders meestal niets over de leveranciers van de euthanatica. De identiteit van de Chinese leverancier, de populairste verkoper voor de Nederlandse markt, is volkomen onbekend. De levenseindebegeleiders hebben zelf nooit de chaotische dierenspeciaalzaken bezocht in Peru of andere Zuid-Amerikaanse landen waar het middel wordt verkocht. Kortom: hun reputatie en geloofwaardigheid leunen volledig op de betrouwbaarheid van het handboek.

Zaandam: geheime tests in een laboratorium

De oplossing is even simpel als onmogelijk: de pillen, poeders en drankjes laten testen op zuiverheid. Doordat het importeren en in bezit hebben van de dodelijke middelen illegaal is, kunnen ze niet worden aangeboden bij laboratoria. De levenseindebegeleiders en hun klanten moeten het doen met verhalen van nabestaanden.

Toch is er in het verleden een geheime oplossing gevonden. Een laboratorium in Nederland bleek bereid om dodelijke middelen te testen op zuiverheid. Wie als eerste ontdekte dat dit laboratorium dat wilde doen, is niet meer te achterhalen. Wél is duidelijk dat belangenverenigingen er gretig op in sprongen. Stichting De Einder liet leden er middelen uit het buitenland testen, en ook de invloedrijke NVVE verwees leden tussen 2010 en 2013 via een aanvraagformulier op de website naar dit laboratorium. De leden konden hun illegaal ingeslagen middelen dan zelf laten testen. De Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Openbaar Ministerie (OM) grepen niet in.

Het bewuste laboratorium, van de firma Farmalyse, stond op een anoniem bedrijventerrein aan de rand van Zaandam. In dit grijze gebouw kwamen regelmatig poeders en pillen binnen van NVVE-leden. Op het formulier dat ze op de NVVE-website konden downloaden, lazen ze dat „slechts één tablet of capsule” opgestuurd hoefde te worden. En, vetgedrukt: „Spoedaanvragen kunnen niet in behandeling worden genomen!!”

De NVVE-leden stuurden het spul zelf op. Het laboratorium verzamelde de ‘NVVE-klanten’ op een centrale plek. Eén keer per zes weken werden de middelen getest. Het resultaat van de analyse ging, met de factuur (120 euro), naar de individuele NVVE-leden. De proefmonsters zelf verdwenen in de prullenbak.

„Conform”, staat op een ‘certificate of analyses’ dat NRC in bezit heeft. Het is gedrukt op wit papier met een blauw watermerk van het bedrijf.

„Dat betekent dat het goed spul is. Hartstikke zuiver”, zegt Ruud Santing. Hij is directeur van Eurofins Sinensis, het bedrijf dat Farmalyse overnam in 2012. Hij bevestigt dat Farmalyse voor NVVE-leden zelfdodingsmiddelen heeft getest. Dat mocht het bedrijf, omdat het een vergunning had voor het testen van farmaceutische middelen. Hoeveel monsters zijn getest, kan Santing niet meer achterhalen. Zijn bedrijf stopte al snel na de overname met de tests, vertelt hij. Santing wilde niet dat de naam van zijn bedrijf verbonden zou worden aan het testen van dit soort middelen. „Dit spul mag niet zomaar geïmporteerd worden. Het kwam op een te duistere manier bij ons terecht.”

De Farmalyse-tests hebben levenseindebegeleiders veel rust gegeven. Veel van de middelen die toen zijn getest, komen van een Chinese leverancier die nog altijd actief is. Door de oude tests van Farmalyse, en doordat over het Chinese poeder nooit klachten zijn gekomen van nabestaanden, is het vertrouwen in dit product groot. Er is op dit moment een Spaans laboratorium dat dezelfde tests uitvoert, maar importeren en exporteren van de middelen blijft strafbaar.

Opmerkelijk is dat OM en IGJ nooit actie hebben ondernomen tegen de tests die Farmalyse uitvoerde, terwijl bijvoorbeeld de NVVE daar toch vrij openlijk over communiceerde met leden. De IGJ zegt niet op de hoogte te zijn geweest: „Als we dit hadden geweten, hadden we ingegrepen.” Het OM wil niet zeggen of ze van de tests wisten. Wel laten beide instanties weten dat het op dit moment verboden is om euthanatica te laten testen in Nederland. Een IGJ-woordvoerder voegt toe: „Wij hebben weet van één geval waarin een monster aan een lab is aangeboden. Dat is niet getest en vervolgens aan ons overhandigd en vernietigd.”

Xtc-tests

Door de jaren heen zijn het OM en de IGJ tot in detail op de hoogte gesteld van de wereld van ‘humane zelfdoding’. Binnen beide instanties is er tot op hoog niveau over gesproken en er is altijd contact geweest met prominente levenseindebegeleiders die met het Peaceful Pill Handbook werken. In 2012 werd stichting De Einder bij het OM uitgenodigd om over het onderwerp te komen praten. Bij dat gesprek schoof Herman Bolhaar aan, de toenmalige baas van het OM. Drie jaar later was er opnieuw zo’n gesprek bij het OM, net als die er met de Inspectie waren in 2012 en 2014.

Levenseindebegeleiders pleitten tijdens die gesprekken voor het gedogen van euthanatica-tests, naar het voorbeeld van xtc-tests door de GGD of de Jellinek kliniek. Bezit, import en verhandelen van xtc is ook verboden, maar met het oog op de volksgezondheid wordt wél toegestaan dat de drugs worden getest. Het pleidooi had geen succes. Het OM, zegt een woordvoerder, wil het testen van euthanatica niet gedogen.

Wel had het OM volgens een woordvoerder „begrip” voor klachten over de ‘bejegening’ van nabestaanden. Die schrikken nogal eens als agenten met zwaailicht en al ter plaatse komen na de melding van een niet-natuurlijke dood. Of dat niet rustiger kon, vroegen de belangenverenigingen zich af. Over de bejegening van nabestaanden werd, zeker in 2012, bij het OM ook gesproken in een periodiek overleg van medisch officieren van justitie. En al zegt het OM geen „concrete maatregelen” te hebben genomen na dit overleg, levenseindebegeleiders merken sindsdien dat nabestaanden minder vijandig worden behandeld.

Dat levenseindebegeleiders überhaupt spraken met de top van het OM en inspecteurs van de IGJ over ‘humane zelfdoding’ is niet vanzelfsprekend. Andere landen zijn veel strenger. In Australië en Nieuw-Zeeland is de aanschaf van het Peaceful Pill Handbook verboden, al is dat in de praktijk moeilijk te handhaven. Volgend jaar begint in Nieuw-Zeeland een rechtszaak tegen een coördinator van Nitschkes stichting Exit International, die ervan wordt verdacht ‘hulp bij zelfdoding’ te hebben verleend. Een veroordeling zou een precedent kunnen scheppen, waardoor meer van Nitschkes medewerkers in de problemen zouden kunnen komen. Hij is erg ongerust over de zaak.

In verschillende landen viel de politie vorig jaar nog binnen bij mensen die dodelijke middelen hadden besteld via adressen uit het handboek. Zij waren allemaal lid van Philip Nitschkes stichting. De invallen waren in Australië, Nieuw-Zeeland en Canada. In het Verenigd Koninkrijk deed de politie een inval bij een 81-jarige oud-professor. De vrouw had met hulp van Nitschke middelen gekocht in Mexico, maar moest die inleveren. Een paar weken later werd zij dood aangetroffen: de politie had niet alle euthanatica gevonden. Het is niet bekend hoe de politie wist dat de oud-professor het spul in huis had.

In landen waar de euthanatica worden verkocht, onderneemt de overheid soms ook actie. In Peru waarschuwde het ministerie voor Volksgezondheid vier jaar geleden al voor ‘euthanasietoerisme’. Het euthanaticum is in het streng katholieke land nog steeds vrij verkrijgbaar als dierengeneesmiddel, zo ondervond NRC. Toch wil de overheid liever niet dat winkeliers het nog verkopen aan toeristen.

Waar gebruikers van het Peaceful Pill Handbook vooral willen weten of de middelen wel werken, zijn overheden en critici geïnteresseerd in een heel ander gevaar: hoe voorkom je dat euthanatica in handen vallen van zeer kwetsbare mensen?

Peru: de verleiding van sterven in Cuzcos

In het centrum van Cuzco, Peru, hakt de slager een enorm koeienkarkas in tweeën. Lappen vlees liggen uitgestald op krukjes voor de winkel. Oude vrouwtjes in traditionele Inca-klederdracht verkopen sponsjes, deodorant en zakjes met nootjes. De eerste uitlopers van het Andes-gebergte torenen uit boven de roetwolken van de bussen.

Cuzco, de oude hoofdstad van het Inca-rijk, heeft in Peru een reputatie als sjoemelstad. Op straat worden fluisterend allerlei soorten drugs en massages aangeboden. Aan toeristen en Peruanen, dat maakt niet uit. In de straat waar Peruanen hun boodschappen doen, ligt de ene na de andere agroveterinaria – dierenspeciaalzaak. De oranje-witte doosjes met het middel dat als euthanaticum kan worden gebruikt, zijn eenvoudig te herkennen achter de glazen vitrines. En hoewel sommige winkeliers buitenlanders direct wegsturen als ze naar het middel vragen, hebben de waarschuwingen van de Peruaanse overheid lang niet overal geholpen.

„Ja, ik weet waarvoor mensen dit middel gebruiken, claro, maar ik verkoop het gewoon”, zegt Alex Ramos achter de balie van zijn dierenwinkel. Hij werkt er drie jaar en is al langer nieuwsgierig naar de toeristen die juist dit flesje willen kopen. Hij glimlacht als hij hoort dat zijn winkel in het Peaceful Pill Handbook staat. „Dat verklaart veel.”

Ruth, een oudere vrouw met een haarband en bruine tanden die verderop achter de balie van een winkel staat, schrikt. Ze had geen idee dat haar kleine winkeltje in het boek over euthanasie staat. Ruth, die haar achternaam niet wil geven als ze hoort waar het over gaat, snapt ineens waarom toeristen zo vaak naar het dierenmedicijn vragen. Ze gaat haar baas zeggen het niet meer in te kopen: „Aan dit soort praktijken willen wij niet meewerken.”

Aan de gevel van hostel Kurumi, aan de andere kant van de stad, hangt de Peruaanse vlag. Het is twee jaar geleden dat een 21-jarige Canadese hier verbleef. Ze heette Roma Nadeem en was een populaire student aan de McGill University van Montreal. Mary, de eigenaresse van het hostel, herinnert zich haar goed. Ze kwam haar kamer nauwelijks uit, alleen om te douchen of te ontbijten. De hosteleigenaresse wil geen achternaam geven, omdat de politie haar heeft opgedragen met niemand over de zaak te praten.

Op een ochtend kwamen kamergenoten van Roma naar de receptie. Ze sliepen met acht vrouwen op een zaal en Roma werd niet wakker. Er staan flesjes naast haar bed, zeiden de vrouwen. Het hotelpersoneel ging naar boven, schudde Roma door elkaar. „Maar ze werd niet meer wakker”, zegt Mary, die erbij was.

De politie kwam en droeg het lichaam naar buiten. De familie werd geïnformeerd. Later maakte de politie via de Peruaanse krant El Comercio bekend dat de Canadese zelfmoord had gepleegd. Ze leed aan depressies. Ze gebruikte de middelen die in het handboek worden aangeraden.

Deze vrouw is niet de enige die met deze middelen zelfmoord pleegde in Peru. Een 36-jarige Nieuw-Zeelander deed een paar weken later hetzelfde, in een ander hotel in Cuzco. Eind juni van dit jaar werden een 80-jarige Nieuw-Zeelander en zijn 79-jarige Australische vrouw gevonden, hand in hand op het bed van een exclusief hotel in Lima.

Die berichten heeft Mary nooit gelezen. „Dus het was geen toeval”, fluistert ze, verbijsterd. Mary wist ook niet dat het middel in haar stad te koop is. Ze zegt: „Dat zou toch niet moeten kunnen, als je ziet wat hier is gebeurd.”

Eigen regie

Philip Nitschke, schrijver van het Peaceful Pill Handbook schrikt van het verhaal over de 21-jarige Canadese. „Wow”, zegt hij, en hij valt even stil. Dan begint hij vragen te stellen: „Wanneer was dit? Hoe heette ze?”

Het doet Nitschke denken aan de situatie rond de Australische Erin Berg (39). Jaren geleden leende zij in de lokale bibliotheek een ander boek van Nitschke: Killing Me Softly. Daar stonden geen adressen in, alleen een verwijzing naar Mexico als land waar euthanatica te koop zijn. Berg reisde af naar dat land en pleegde er zelfmoord. Ze was moeder van vier kinderen en worstelde met een postnatale depressie. Haar familie protesteert al jarenlang fel tegen Nitschkes werk. In Mexico werd het daarna voor toeristen moeilijker om aan het middel te komen. De politie ging strenger controleren.

Voelt Nitschke zich verantwoordelijk voor dit soort gevallen, waarbij jonge en kwetsbare mensen zichzelf van het leven beroven? Hij twijfelt even en zegt: „Je moet een balans vinden”. Hij vindt dat hij iets goeds doet voor de wereld. De afgelopen tien jaar, zegt hij, heeft zijn boek ervoor gezorgd dat „duizenden mensen”, vooral ouderen, over de hele wereld de mogelijkheid kregen vredig en pijnloos te sterven. Dat moet je er tegenover zetten, vindt hij. Hij weet zeker dat mensen door zijn boek langer leven, gerustgesteld door de pillen in hun nachtkastje. „Een grote groep mensen is enorm blij met de mogelijkheid die wij bieden.”

Nitschke weet het: de verhalen over zelfdodingen zijn de reden dat veel mensen pleiten voor betrokkenheid van een dokter in het proces van euthanasie – voor de veiligheid. Maar nee, dat idee heeft hij al lang geleden losgelaten. Adressen geheim houden terwijl mensen hun levenseinde in eigen hand willen nemen, „dat zou censuur zijn”. De prijs die je betaalt met een dokter in het euthanasieproces, vindt hij, is het verlies van de eigen regie. Die gedachte is voor hem vreselijk.

Philip Nitschke schuift wat met zijn telefoon, opent zijn laptop en klapt hem weer dicht. Hij zoekt naar woorden. „Ik wil geen nanny state, waarin burgers voor alles toestemming moeten vragen. Mensen willen dat niet.”

De vraag naar zijn boek groeit ieder jaar, zegt hij. „En weet je, de populatie wordt ouder”. Als mensen het spul kunnen krijgen, dan willen ze het. Zo simpel is dat, vindt hij. Hij kijkt recht vooruit: „Het levenseinde is je eigen zaak.”

De pil van CLW

Enkelen van onze nieuwsbrieflezers zijn in de pen geklommen om De Einder erop aan te spreken dat wij niet meteen ruchtbaarheid hebben gegeven aan wat wij bij wijze van compliment ‘de pil van CLW’ zullen noemen.

Gelukkig zijn dat er weinigen geweest: onze nieuwsbrieflezers lijken zich ervan bewust te zijn dat de vrije beschikbaarheid van een euthanaticum dat voor een paar euro zonder enigerlei beperking door eenieder kan worden aangeschaft een omslag in ons denken over het bewerkstelligen van ‘een goede dood’ (dit is: euthanasie) vereist.

Nederland heeft een euthanasiewet, een wet die tegemoet komt aan de doodswens van mensen met medisch gerelateerd lijden die bij hun arts een verzoek indienen om uit hun lijden te worden verlost. Als de arts weigert, is er de Levenseindekliniek om hun euthanasiewens uit te voeren. Wij zijn hierin geprivilegieerd. In een film over een darmkankerpatiënte in Australië komt aan de orde dat zij haar fecaliën langs haar mond moest uitbraken terwijl de behandelend artsen niets anders konden dan met hun handen in de schoot toekijken.

Zo’n situaties hoeven in Nederland niet meer voor te komen. Wat echter nog niet geregeld is, is dat mensen die – zonder ziek te zijn – aan het leven lijden, gevolg kunnen geven aan hun wens om vredig in te slapen. Het debat hierover (over ‘existentieel lijden dat niet medisch gerelateerd is) wordt door religieuze, politieke en maatschappelijke opvattingen gedomineerd. En wat De Einder graag zou zien, is dat het debat geen religie of wat voor andere externe ideologie dan ook als vertrekpunt heeft, maar dat het innerlijke perspectief van de autonome mens – de mens die zelf over zijn leven beschikt – als uitgangspunt geldt: het is in de eerste plaats aan de mens zelf om te beoordelen of hij moet doorgaan met het leiden van een leven dat hij niet zelf wenst; zijn medemensen (dan wel de maatschappij) kunnen daarbij alleen als spiegel functioneren en mogen niet in de rol vervallen dat zij het voor de ander gaan uitmaken.

De pil van CLW zou hier voor een doorbraak kunnen zorgen – vooropgesteld dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden benut om ongewenste bijwerkingen (zoals bijvoorbeeld onherstelbare hersenschade in geval van mislukking) te minimaliseren. Voor wat De Einder ervan begrijpt gaat het om een poeder dat in de industrie een veelheid van toepassingen kent en waarvan het niet of nauwelijks doenbaar is om de verhandelbaarheid ervan aan banden te leggen. Als euthanaticum is het in staat om een relatief snelle en relatief vreedzame dood met geen of weinig gevaar voor anderen te bewerkstelligen. Op de ranglijst van humane zelfdodingsmiddelen komt het, na het middel dat artsen gebruiken om iemand te euthanaseren en na de gassen stikstof en helium, op de derde plaats – aldus de digitale versie van het Peaceful Pill Handboek dat naar verwachting volgend jaar ook in het Nederlands verschijnt.

Onder het voorbehoud dat bij De Einder geen toxicologische kennis aanwezig is die toelaat een gezaghebbende uitspraak te doen over de betrouwbaarheid, schadeloosheid en veiligheid van de substantie waaruit de pil van CLW bestaat, beschouwt De Einder die pil op basis van van CLW afkomstige gegevens als een aanwinst. Het de facto voorhanden zijn van zo’n pil noopt evenwel tot het voorkomen van uitwassen. CLW is daartoe ook al voorzorgsmaatregelen aan het treffen: een half jaar lidmaatschap, levering in een kluis met biometrisch slot, toevoeging van een kleurstof om diegenen voor wie het middel niet bedoeld is alarm te laten slaan, etc.

Waar De Einder aan werkt, is dat alle spelers in het veld op het gebied van het in eigen regie bewerkstelligen van een humane dood de handen in elkaar slaan om dusdanige veiligheidswaarborgen in te bouwen dat aan het bestaansrecht van zo’n pil niet meer kan worden getornd. Dat vereist dat niet over één nacht ijs wordt gegaan. Reden waarom De Einder de publiciteit hierover schuwt en mikt op samenwerking achter de schermen met daarvoor, naast CLW, in aanmerking komende organisaties als NVVE in Nederland en Exit International, de organisatie van Philip Nitschke, auteur van het Peaceful Pill Handbook, in internationaal verband.

Wat betreft het verstrekken van informatie aan hulpvragers over de verkrijgbaarheid van zo’n levenseindepil, daarvan kan in de visie van De Einder alleen in het besloten contact tussen hulpvrager en hulpverlener sprake zijn; mensen die om die informatie niet verlegen zitten, hoeven daarmee niet te pas en te onpas op stang te worden gejaagd zoals er eveneens prudent moet worden omgegaan met andersdenkenden die ‘de eigen regie van de autonome mens’ als provocatie bestempelen.

Terugblikken met Adri Brolsma-Polling, mede-oprichter van De Einder

Zij was de eerste bestuursvoorzitter die in 1995 De Einder heeft opgericht samen met nog enkele andere even gedreven geestverwanten uit het Humanistisch verbond, t.w. Token Bartman, Marjolijk van Dierendonck en Jan Hilarius. Nu tweeëntwintig jaar later en de leeftijd van 90 jaar naderend, kost het Adri Brolsma-Polling geen moeite in het verleden te duiken. In haar van boeken uitpuilende flat en met een rollator binnen handbereik waarmee zij niet in staat is om meer dan een paar stappen te zetten, formuleert zij ad rem en desalniettemin haar woorden zorgvuldig kiezend om zo to the point mogelijk te zijn.

Adri Brolsma-Polling

Adri Brolsma-Polling

Er hadden in 1993 kort na elkaar in haar woonomgeving een zelfmoord en een zelfmoordpoging plaatsgevonden. In het eerste geval betrof het een jongeman die van de 8ste verdieping van een gebouw in de Zaanstreek was gesprongen – met dodelijke afloop. In het tweede geval ging het om een jonge vrouw die zich in Castricum voor een trein had gegooid – de rest van haar leven een psychisch wrak en met twee geamputeerde benen in een rolstoel doorbrengend.

Een goede vriendin van Adri (nog steeds – destijds een suïcidant in spe is zij nu een begaafde en tevreden kunstenares in ruste) die ooit hevig naar de dood verlangde, kaartte bij haar aan dat er met anderen over alles behalve een doodsverlangen kon worden gesproken tenzij om haastig en bijna bestraffend te horen te krijgen dat een dergelijk verlangen nooit serieus te nemen valt.

Adri en haar geestverwanten vatten de koe bij de horens en sloegen aan het denken over hoe te bewerkstelligen dat mensen wier enig alternatief de dood is, dit voornemen op een zo geweldloos mogelijke wijze en zo min mogelijk traumatiserend voor anderen ten uitvoer kunnen brengen. Vanaf 1994 vonden brainstormsessies met een groep van gelijkgestemden plaats. De eerste gedachte ging uit naar een hotel waar mensen hun verhaal konden doen.

Een journalist pikte dit op en spoorslags kwamen er vanuit Japan, Zuid-Afrika, eigenlijk vanuit de hele wereld, telefoontjes op haar huisadres binnen van belangstellenden die vroegen wanneer er geboekt kon worden, of er wachtlijsten waren, of de grond al was aangekocht, of er van de kant van omwonenden bezwaren te verwachten vielen, hoe het met de lijkstoet zou worden geregeld, “… kortom je kon het zo gek niet verzinnen. In wezen echter gold dat hotel als metafoor voor dienstverlening waarbij je zelf als klant koning bent, waar jouw wensen centraal staan en waar niet zoals bij dokters protocollen en behandelplannen de dienst uitmaken. Indien de hotelganger bij zijn voornemen bleef, moest hij kunnen voorzien worden van advies door professionals over hoe hij zo weinig schadelijk mogelijk voor zichzelf en voor anderen een eind aan zijn leven kon maken”.

De Chabot-zaak lag op dat moment nog ter beoordeling aan de Hoge Raad voor en over de vraag of euthanasie middels een euthanasiewet mocht worden gelegaliseerd, woedde destijds nog een heftige maatschappelijk discussie. Een boek als Uitweg had Chabot toen nog niet geschreven en medio negentiger jaren had ook The Peacefull Pill Handbook van Philip Nitschke en Fiona Stuart nog niet het licht gezien zodat er in die tijd weinig bekend was over hoe de hand slaan aan jezelf zonder op gruwelijke methoden aangewezen te zijn. Adri en de haren kwam uiteindelijk uit op het oprichten van een stichting die het bespreekbaar en uitvoerbaar maken van zelfdoding tot doelstelling had.

Nog voordat het met de oprichting van De Einder in 1995 een feit was, stroomden van alle kanten ongevraagd donaties binnen om die doelstelling (het bespreekbaar en uitvoerbaar maken van zelfdoding) mogelijk te maken. De notaris dacht met de oprichters mee en noemde meteen al iemand die begeleiding kon gebruiken. Ook wierpen zich al vrij snel hulpverleners op die aanboden de hulpvragers van begeleiding te voorzien. Zo werd in korte tijd een bescheiden netwerk gevormd van hulpvragers en hulpverleners die in de media en bij de Tweede Kamer stof deden opwaaien.

Speerpunt destijds van De Einder was om opleidingen tot stand te brengen waarbij hulpverleners werden geschoold in het omgaan met een doodswens. De RIAGG en aanverwante organisaties wilden hiervan niets weten en op dat punt heeft De Einder van destijds niets van de grond gekregen. Dat leidde ertoe dat weliswaar concrete hulpverlening op gang kwam maar dat de hulpverleners zichzelf de professie eigen moesten maken.

Adri bewaakte de bestuurlijke kant van De Einder en dat hield ook in dat zij zich met de sollicitaties van hulpverleners bemoeide: hoe oud waren hun kinderen en liet die leeftijd toe dat de hulpverlener af en toe een nacht op het politiebureau doorbracht? Hoe zat het met hun beweegredenen? Waren zij voldoende uitgebalanceerd om overwicht op de hulpvrager te hebben en vast te stellen of iemand alle consequenties van zijn doodswens overzien heeft? Konden zij hun mannetje staan in discussies rond de ‘pil van Drion’ en beseften zij dat een dergelijke pil geen snoepje is en dat zo’n pil niet te gemakkelijk mag worden verkregen?

Adri bemoeide zich niet met de hulpverlening zelf. Het enige waarop zij zich in dat opzicht concentreerde was het trachten ertoe te leiden dat gesprekken over zelfdoding met behulp van een goed geschoolde consulent plaatsvonden. Zij was wars van kretologie en betreurde in dat opzicht dat er consulenten waren die zich daaraan schuldig maakten. In 2009 heeft zij, na vijftien jaar, afscheid van De Einder genomen.

Op De Einder is in haar tijd kritiek gekomen van de NVVE die toentertijd – uit strategische overwegingen: de euthanasiewet waar de NVVE voor stond zou er nooit komen als de medische setting werd losgelaten – er voor koos om bij een zelfdoding een daaraan ten grondslag liggende medische oorzaak te eisen en de beslissing over een zelfdoding aan het oordeel van een arts te onderwerpen. Bij De Einder zou, aldus de NVVE, ‘de wil van de patiënt wet zijn terwijl als aan de NVVE om hulp wordt gevraagd, de NVVE van mening is het recht te hebben daar ook iets van te vinden’. Adri riposteert: “Bij de NVVE bestond er destijds een ‘afschuifcultuur’. Individuele hulpvragers zonder een doodsvraag in de medische setting, vingen bij de NVVE bot, die trok haar handen ervan af en vertelde deze mensen dat zij maar bij De Einder moesten aankloppen. Om dan vervolgens met de kritiek te komen dat de door De Einder verstrekte hulpverlening zich niet binnen de grenzen van de wet afspeelde”.

Toen Jacob Kohnstamm, destijds voorzitter van de NVVE en thans voorzitter van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie haar in 2001 te kennen gaf met De Einder serieus in gesprek te willen gaan over zoals hij het toen formuleerde ‘de manier van en bovenal de controleerbare kwaliteit van hulpverlening aan mensen met een doodswens’ is Adri daar meteen opgesprongen: zeer zeker konden er wat haar betreft afspraken tussen de NVVE en De Einder worden gemaakt en wel door meteen gezamenlijk optrekkend de scholing van hulpverleners aan te pakken. Daar is het helaas, door bestuurswisselingen bij de NVVE, in haar tijd niet meer van gekomen maar met de nieuwe weg die de NVVE is ingeslagen én de terugkeer van De Einder naar haar wortels uit 1995 zou dit actieplan uit 2001 eindelijk ter hand kunnen worden genomen.

Hoe denkt Adri nu over vraagstukken als voltooid leven, euthanasie bij zwaar dementerenden, hulp bij zelfdoding van psychiatrische patiënten? Maar Adri laat zich niet tot generaliserende uitspraken verleiden. Weer komt een doordacht en dichtgetimmerd antwoord: “Elk persoonlijk geval moet op zijn eigen individuele merites worden beoordeeld”.

Zou zij zelf door een arts geëuthanaseerd willen worden? Haar man werd in 2005 op die manier geholpen en daar is zij die arts dankbaar voor. Voor haarzelf vindt zij dat, zolang zij over voldoende vitaliteit beschikt en er nog enkele mensen om haar heen haar nodig hebben, hun belang moet prevaleren. Maar zodra elke levenselan haar komt te ontvallen, zal ook zij een arts om euthanasie vragen, althans dat denkt zij maar of zij er nog zo over zal denken als het zover is, kan zij niet voorspellen.

En wat ervan te denken om de regie in eigen hand te nemen als die arts haar neen op het rekest geeft? “Ik denk dat ik dan naar De Einder ga, althans dat vermoed ik want in de toekomst kan ik niet kijken”.

De ontwikkelingen rond ‘het kabinetsplan van Schippers’ en ‘de initiatiefwet van Dijkstra’ volgt zij op de voet. Evenals wat er in Amerika met Trump en in Turkije met Erdogan gebeurt: niet altijd brengt de toekomst vooruitgang.

Wat vindt Adri van De Einder zoals die zich anno 2017 manifesteert? Hier voelt Adri behoefte om het op te nemen voor Jan Hilarius die voor De Einder zijn nek uitgestoken heeft en waaraan De Einder veel te danken heeft zonder daarvoor, zo is Adri van mening, de gepaste erkenning te hebben gekregen: “Het is dank zij mensen als Hilarius dat de huidige consulenten veel beter dan in Jan zijn tijd weten wat wel en niet strafbare hulp bij zelfdoding is”. Volgens Adri’s inschatting zal er aan een instituut als De Einder nog lange tijd behoefte bestaan. De Einder van nu moet worden gekoesterd en af en toe zal nodig zijn om er – aan het actuele tijdsbestek aangepast – nieuw leven in te blazen. Ook in deze tijd lijkt De Einder als separate instelling naast NVVE en Coöperatie Laatste Wil noodzakelijk te zijn: zo veel mogelijk je eieren in diverse mandjes spreiden want je weet niet wat de toekomst gaat brengen.

Als er maar door al die organisaties die hetzelfde doel voorstaan – het helpen mogelijk maken van een humane zelfgekozen dood – wordt samengewerkt. Daaraan heeft het in het verleden wel eens ontbroken. Wat in ieder geval een goede zaak van deze tijd is, aldus Adri, is dat er thans over een opleiding tot stervenshulpbegeleider c.q. levenseindeconsulent kan worden gesproken. In haar tijd moest alles nog worden uitgevonden. Thans is het onderwerp bespreekbaar geworden. Nu nog het onderwerp uitvoerbaar maken. Een euthanasiewet die erkent dat er naast medisch lijden ook existentieel lijden bestaat, zou een stap in de goede richting zijn.